is toegevoegd aan uw favorieten.

De pastoor van Ars

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar Dardilly moest de pastoor zijn kinderhuis overdragen aan een congregatie van zusters, die weldra een meisjeskostschool met behoud der parochieschool er van maakte. Dit was wel de zwaarste beproeving van zijn leven. Die Providence immers was voor hem het stille hortulus animae in het woelige leven. Al zijn dagen en de halve nachten moest hij doorbrengen met de zondaars in den biechtstoel en dan was de korte onderbreking van zijn bezoek aan dit hofje van vrede een dagelijksche verkwikking.

,,Que le temps me dure avec les pécheurs, quant serai-je avec les saints !" zeide hij soms. *) Nu vond hij ook in het kinderhuis niet precies heiligen, maar arme menschen met vele menschelijke zwakheden, doch hij had er gebracht het aroma van eigen heiligheid, zoodat het huis er van vervuld werd : bij de jeugd zoowel als bij de drie directrices bleef deze geur zijner deugden onvertroebeld gedurende bijna vijf en twintig jaren. Catherine Lassagne en hare twee medehelpsters waren, meer dan zij zelf wisten, zijne geestelijke dochters; niet een gewone, met toewijding gepaarde vriendschap, gegroeid in den loop der jaren, maar een hoogere geestelijke band bestond er tusschen deze drie en den heilige, een zuiver religieus gevoel, zijn voedsel vindend in gemeenschappelijke armoede, versterving en kinderlijk geloof. Vooral Catherine, die vanaf haar jeugd in zijn nabijheid leefde, werd door hem opgevoerd tot een bijzondere volmaaktheid, zoodat een latere bisschop met recht haar kon noemen, une relique vivante du saint curé". Deze Providence was niet gelijk aan zooveel andere inrichtingen van

*) „Wat duurt de tijd lang met de zondaars! Wanneer zal ik bij de heiligen zijn?"