is toegevoegd aan uw favorieten.

De pastoor van Ars

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds in zijn jeugd was elk offer voor hem een genoegen in stille verborgenheid en met de jaren groeide de felle minachting voor zich zelf bijna tot een hartstocht.

Dikwijls sprak hij ook in de catechismus over het offer van den eigen wil: „dat is het eenige wat wij ons eigendom kunnen noemen en als iets van ons zelf opdragen aan God: ieder keer dat wij onzen wil prijs geven om den wil van een ander te doen, verwerven wij groote verdiensten, aangenamer aan God dan dertig dagen vasten. Daarin ligt de waarde van het kloosterleven: op ieder oogenblik afstand doen van eigen wil, dit voortdurend ter dood brengen van wat het meest levend is in ons ! . . . het leven van een arme dienstmaagd, indien ze het goed opvat, is waarschijnlijk even waardevol voor God als dat van een kloostervrouw, onderworpen aan den regel. . Er is slechts één manier om zich aan God te geven, dat is zich geheel te geven".

Maar bij het schrikbarend leven naar de natuur, bewaarde hij een blijde, sereene ziel, nooit rimpelde ongeduld of kwade luim zijn gezicht of vertroebelden de honderden kwellingen, die hij te verduren had van een opdringende en vrijpostige menigte, zijn vriendelijk oog. En de goede lach op zijn gelaat bracht ontspanning en hoop, waar hij verscheen.

Na het avondgebed werd de pastoor meestal naar zijn kamer teruggevoerd door zijn kapelaans, Er volgde dan een korte ontspanning in een vriendelijk en intiem samenzijn, waartoe behalve de kapelaans maar zeer enkelen toegelaten werden. Staande bij den haard of bij de tafel voerde hij geestig en opgewekt het gesprek, meestal over geestelijke dingen. Hij