is toegevoegd aan uw favorieten.

De pastoor van Ars

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den tandeloozen mond. Nu dat de heilige oud is geworden en zijn woorden niet meer kan articuleeren met die vroeger zoo doordringende stem, zijn er veel menschen die slechts enkele zinnen kunnen opvangen in de groote stilte, maar evenzeer zitten zij met gerekten hals, gevangen door het enkele zien van het witte hoofd, waar de ingezonken oogen fonkelen met den gloed van een hooger leven. Het duurde reeds geruimen tijd, als er plotseling nog iemand binnen komt met geklos van krukken op den steenen vloer; . . . een arme met van pijn en misschien ook van gebrek, uitgeteerd gezicht, blijft achter bij de kerkdeur staan, als hangend tusschen zijn krukken. De menschen bewegen niet en niemand staat op om den ongelukkige een zitplaats aan te bieden. Dan verlaat de heilige zijn hoogen stoel op het koor, gaat naar den armen man, beduidt hem naar voren te gaan, daar neemt hij de krukken uit zijn handen, laat hem neerzitten op zijn eigen plaats en naast den stoel staande, hervat hij zijn toespraak. Nu is er een zachte beweging, een gefluister in de menigte en er zijn velen die hun emotie en hun tranen niet kunnen verbergen.

Vol van innerlijk geluk sprak hij in zijn catechismus telkens over het geven van aalmoezen, maar vooral van de liefde tot de armen.

„Men mag de armen niet verachten, want die verachting valt terug op God ... Er zijn menschen die de armen uitschelden voor luiaards, maar gij weet niet of het Gods wil is dat die arme zijn brood gaat vragen". En hij vertelde van den eenzamen zwerver Benoït Labre. ledereen had een afschuw voor hem, de kinderen wierpen hem met steenen, nooit antwoordde hij op de grofste beleedigingen en mishan-