is toegevoegd aan uw favorieten.

De pastoor van Ars

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVI

Zoodra de ziel in een hevig streven om zich los te maken van het zinneliike, een hoogen graad van zuiverheid bereikt, ziet men in het leven der heiligen, dat zij door de goddelijke liefde opgeheven wordt tot een geluk, waar haar groote genadegaven, opklaringen, intellectueele inzichten of vizioenen ten deel vallen, die zij, als een onuitsprekeliik geheim tusschen God en haar, in nederigheid blijft bewaren. Als moest het geestelijk oog nog wennen aan het bovenaardsche licht, zullen deze toestanden in den beginne slechts voorbijgaand of vluchtig zijn, toch is de geluksontroering zoo sterk, dat zij het leven van den heilige brengen in een hoogere gebedsfeer of vergeestelijking.

Er zijn teekenen dat de heilige pastoor reeds in de eerste tijden daar in ziin eenzaam dorpje die gelukstoestanden beleefde. Marianne, de dochter van zijn buurvrouw Claudine Renard, getuigt in het voorloopig proces van onderzoek van zulk een gebeurtenis uit de eerste jaren. Toen er nog maar weinig vreemdelingen kwamen, wilde een vrouw uit den omtrek in den vroegen morgen biechten bij den pastoor in de sacristie. Bij de open deur gekomen, zag zij hem staan in gesprek met een voorname schitterend in 't wit gekleede vrouw, zoodat zij niet durfde binnengaan. Na eenigen tijd kwam de pastoor naar haar toe en vroeg: „waarom komt gij niet binnen?" Toen zij nu in de sacristie kwam, was daar niemand dan de pastoor en er was ook niemand de deur uitgekomen. In haar dagboek verhaalt Catherine hoe de pastoor op een morgen bij haar kwam in de Providence, zeer