is toegevoegd aan uw favorieten.

Egmond-verhalen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nooit of nimmer heb 'k er naar verlangd, de rykste van Kennemerland te worden!" Ebba was er van verschrokken. „Rijkdom zou me enkel tot last en angst zijn. Ook zonder edelsteen voelde 'k me al heelemaal niet veilig meer in m'n hut. De tyd is te gevaarlijk voor eenzame menschen. Maar om dezen wonderschoonen steen Ostelaen onder het duinzand te begraven, om er een oude vrouw als ik ben, dag en nacht met angst en beven over te laten waken, heeft vogel-ooievaar hem mij natuurlijk niet gebracht! Daarom — uw goede raad neemt me de zorg van 't hart, genadige vrouwe. Aan Sint Adelbert zal 'k den steen Ostelaen offeren. In zijn bescherming hem en u en mij en heel Kennemerland aanbevelen"....

„Onze heilige Beschermer zou kwalijk gediend zijn door een schat zoo allerkostbaarst, die eerst voorgoed de roovers en plunderaars naar zijn heiligdom zou aantrekken." — Dit was Graaf Dirk, die z'n waarschuwende stem liet hooren. In z'n troonzetel had hij bezorgd de samenspraak tusschen zijn gade en de kromgegroeide spinster aangehoord.

„Onze houten kerk, bewaakt door oude moeder Wilfsit en haar nonnen in het houten klooster, is, dunkt me, voor den steen Ostelaen een bewaarplaats veel onveiliger nog dan Ebba's duinhut of het wrak van een schip op het strand."

„En in die onveiligste van alle bewaarplaatsen