is toegevoegd aan uw favorieten.

Egmond-verhalen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neer, beschaamd als een bestrafte scholier. „Ja", stoot hij eindelijk uit, „zoo ben ik nu eenmaal — een onverbeterlijk gelukzoeker."

„Geluk schuilt niet in ontrouw."

„Als 'k maar trouw mocht zijn!" stuift Robrecht op, „trouw, waarachtig trouw...." Hij blijft steken en ziet den abt verward in de kinderlijk zachte oogen.

„Wat bedoel je ?"

De reus zit naast abt Steven gevangen in de leesbank. Onrustig schuift hij heen en weer, wringt en wrikt tegen de leuning, stommelt met de voeten tegen het bankbeschot. Dan legt hij onbeholpen z'n helm vlak naast het opengeslagen boek, en zakt terug, als doodmoe. Hij voelt zich echt in het nauw gedreven. Met de handen aan de bankzitting geklampt, als kon hij een houvast niet ontberen, begint hij dof:

„U is dan ook de eenige, aan wien ik het bekennen kan. 't Is zoo en niet anders: ontrouw ben ik, omdat ik niet trouw mag zijn. Geertrui mag 't zelfs niet vermoeden, hoe ik van haar houd. Dit is mijn trouw, dat ik m'n besten vriend niet z'n vrouw wil ontrooven, ook niet na z'n dood. Liever laat ik Geertrui gelooven, dat 'k haar vijandig ben, dan haar de waarheid te laten vermoeden:.... dat ik zonder haar niet leven kan." „Dus, Robrecht", begrijpt abt Steven langzaam, „je belaagt Gravin Geertrui, nestelt je op haar