is toegevoegd aan uw favorieten.

Egmond-verhalen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bedaard rolt abt Steven den brief open, en leest hem stil voor zich heen, heel aandachtig, zonder dat er lijn of rimpel in z'n gelaat verraadt wat er in hem omgaat.

Bij zooveel bezadigdheid beginnen de boodschappers zelf onrustig te worden, verliezen hun houding van heer en meester, zien elkaar tersluiks vragend aan, en durven het zwijgen niet te verbreken.

„Ik lees hier", begint de abt eindelijk, „dat de Roomsch-Duitsche keizer de landstreek aan de Rijnmonden, genaamd Holland, en het graafschap Westflingen met Kennemerland en de daarin gelegen abdij van Egmond aan de kerk van Utrecht schenkt. „Dat is", staat er letterlijk „abdije ende slaven, so mannen als vrouwen, gronden, gebouwen, akkers, beemden, wegen, bebouwde en onbebouwde landen, wateren, visscherijen, uit- en inkomsten, wegen en omwegen, en wat er van komt of komen zal, markten, tollen, bosschen...." Zonder de allerminste tegenwerping schijnt de abt de boodschap voor kennisgeving aan te nemen. De keizerlijke afgezant, die zich op een heftig verzet had voorbereid, staat uit het veld geslagen. „Dus", meent hij te moeten toelichten, „de bisschop van Utrecht is voortaan uw leenheer." Onverstoorbaar haalt abt Steven de schouders op. „Het gaat buiten mij om. Ik ben niet de eigenaar en al evenmin de bestierder van het graafschap,

4