is toegevoegd aan uw favorieten.

Egmond-verhalen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tusschen de andere scholieren stond het graafje daar om de hymne voor het Pinksterfeest te leeren zingen. Blond, blank en druist, in z'n met rood bestikt olijfgroen overkleed, komt hij stralend te voorschijn uit de donkere groep van z'n medeleerlingen. Al die anderen lijken jonge monniken met hun kaalgeschoren kruin en in hun zwarte kloosterpij. Alleen jonker Dirk schittert kleurig in z'n page-dracht.

Met nieuwen schrik ontdekt abt Steven, dat de grafelijke roode liebaard, de staande leeuw met dreigende klauwen, in het blazoen op de borst van dien groenen lijfrok staat geborduurd, dat in den zoomrand boven de knieën een heele kring

van die trotsche klauwende leeuwen praalt

Meteen legt hij jongen Dirk den arm om de schouders, zoodat de wijde habijtmouw hem en z'n prachtgewaad als een beschermende vleugel overduistert en verbergt. Goedig troont hij hem mee naar de abtskamer. Daar grendelt hij voorzichtig de deur achter hen dicht.

Terwijl Dirk nog verwonderd en verwachtend de kamer rondziet, wijst vader-abt hem het opengerolde perkament, boven op de boeken en geschriften van de schrijftafel.

„Wat zullen we er mee doen, Dirk? Daar staat geschreven, dat de Keizer de landstreek Holland aan de Rijnmonden, Westflingen met Kennemerland en de abdij van Egmond aan de kerk van