is toegevoegd aan uw favorieten.

Egmond-verhalen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kniezen, zou hij met de oudsten en de jongsten van Egmond in de abdijkerk een bijzonder biduur gaan houden, om van Sint-Adelbert den vrede af te smeeken.

In een ommezien had abt Steven beneden z'n bidders bijeen. Aan het hoofd van z'n slagorde trok hij uit den refter, door de schaars verlichte gangen kerkwaarts. De deuren stonden er wijd open. Van het hoogaltaar straalde hun de gouden gloed al tegen van de waslichten te weerszijden van Sint-Adelbert's flonkerend reliekschrijn. Toen plotseling — ging er op het binnenplein van den kant van het poorthuis een vervaarlijk geraas op, schreeuwen en jammeren. Tegelijkertijd riep hier, uit de rijen van de bidders, een heldere jongensstem: „Eindelijk! Daar zijn ze!" De stem van jonker Dirk! In z'n zwarte pij, met de geschoren kruin, was hij niet te kennen tusschen de scholieren. Braaf en stil had hij zich gehouden, drie jaar lang. Maar nu, bij dat groot rumoer zoo opeens, kon hij den jubel niet bedwingen, die opsprong in z'n hart

„Daar zijn ze!" Hij bedoelde de vijanden. Dag na dag immers had hij er, aldoor ongeduldiger, heimelijk naar uitgezien. Verlangd, echt verlangd, naar die belegering van de abdij, door de anderen zoo gevreesd. Voor hem, Dirk, zou 't immers de verlossing zijn, de aanvang van z'n ridderleven..!