is toegevoegd aan uw favorieten.

Encycliek Divini redemptoris van onzen heiligen vader Pius XI... paus, over het godlooze communisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten afleggen aan den Oppersten Heer en ze gebruiken als kostbare middelen, welke God hun verleent, om wèl te doen; en zij mogen niet vergeten aan de armen te verdeelen, wat hun overschiet, volgens het voorschrift van het Evangelie (vgl. Lucas XI, 41). Zooniet, dan zal over hen en hun rijkdom het zware vonnis bewaarheid worden, dat de H. Apostel Jacobus uitspreekt: „Welnu, gij rijken, weent en krijscht om de ellende, die over u zal komen. Uw schatten zijn verrot en uw kleederen door de mot verteerd. Uw goud en zilver is verroest, en die roest zal tegen u getuigen en uw vleesch als een vlam verteren. Gij hebt u schatten van toorn verzameld voor de laatste dagen...." (Jac. V, 1—3).

45. Maar ook de armen moeten, hoezeer zij zich, met inachtneming van de wetten van naastenliefde en rechtvaardigheid, mogen inspannen om in hun behoeften te voorzien en ook om hun toestand te verbeteren, toch op hun beurt ook altijd „armen van geest" blijven (Matth. V, 3) en de geestelijke goederen hooger schatten dan de goederen en genietingen der aarde. Zij moeten ook bedenken, dat men er nimmer in slagen zal, ellende, leed en beproevingen uit de wereld te doen verdwijnen, en dat ook degenen, die uiterlijk gelukkiger schijnen, daaraan onderworpen zijn. Voor allen is daarom geduld noodig, dat christelijke geduld, dat de harten omhoog heft naar de goddelijke beloften van een eeuwig geluk. „Weest dus geduldig, o broeders — zeggen Wij nog eens met den H. Jacobus — tot aan de komst des Heeren. Ziet, de landbouwer wacht op de kostbare vruchten der aarde, en hij wacht met geduld, tot hij de eerstelingen en de laatrijpende ontvangt. Weest ook gij geduldig, en houdt uw hart sterk, want de komst des Heeren is nabij" (Jac. V, 7—8).

Zóó alleen zal de troostende belofte van den Heer vervuld worden: „Zalig de armen!" En dit is geen ijdele troost en belofte, zooals die der communisten; het zijn woorden des levens, welke een verheven werkelijkheid bevatten en die zoowel hier op aarde als hierna in de eeuwigheid volledig bewaarheid worden. Hoevele armen vinden toch in deze woorden en in de verwachting van het rijk der hemelen, dat reeds hun eigendom genoemd wordt — „want aan u is het Rijk Gods" (Lucas VI, 20) — een geluk, dat zoovele rijken, steeds onrustig en steeds begeerig naar méér, in hun rijkdom niet vinden.