is toegevoegd aan uw favorieten.

Een man van vorstelijk karakter

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

del behoorend, berucht om de „Hozewollen". Een van die bende, waarvan bekend was, dat hij pas een warme wollen deken had gestolen, werd plotseling ziek. Kapelaan Zwijsen moest hem bedienen en maande natuurlijk tot restitutie. Lang verzette zich de vasthoudende Hozewol, maar tegen den nog meer vasthoudenden kapelaan moest hij het afleggen; „Nou, als 't dan mot, mijnheer de kapelaan, haalt ze dan mar onder me uit." Binnen een half uur was de gestolen deken bij den eigenaar en op de deken van den moedigen en toch ook zoo goedigen kapelaan ontsliep spoedig daarna de bekeerde Hozewol in den vrede des Heeren.

Na tien jaar als kapelaan te Schijndel te hebben gewerkt, werd hij door Vicarius van Alphen benoemd tot Pastoor van Best. Daar, bij die eenvoudige goede dorpsmenschen voelde hij zich thuis .Want „daar kon hij 's winters op de klompen naar de kerk gaan en kon hij zich inlaten

met de huiselijke bezigheden van zijn parochiatt

ncn»

Hij had er wel altijd willen blijven. Maar juist daar begon de Goddelijke Voorzienigheid hem met zachtheid en kracht voor te bereiden op zijn weidsche en gewichtige levenstaak.

Bij een kerkelijke plechtigheid was hem, den scherpen opmerker, de bijzondere tucht en eerbiedigheid opgevallen van de kinderen van 't gehucht Spoordonk onder Oirschot en als hem spoedig blijkt, dat dit te danken is aan den ijver van onderwijzer Boelaars, dan is zijn besluit genomen: „Dien man moet ik hebben", en, man van de