is toegevoegd aan uw favorieten.

Een man van vorstelijk karakter

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik zal doen, wat ik kan, in de hoop, dat ik, wanneer de zaken in Utrecht wat geregeld zullen zijn, in het diocees, waaraan ik door zoovele affectiën en relatiën verbonden ben, zal mogen blijven."

Eerst na 14 jaren zegenrijk bestuur, op 4 Februari 1868, zou Pius IX gehoor geven aan het herhaald verzoek van den 73-jarige, om ontheven te worden van het Aartsbisdom Utrecht.

Zoo waren de edele gevoelens van den grooten man bij zijn benoeming tot de hoogste waardigheid van de Katholieke Kerk in Nederland, gevoelens van oprechte nederigheid, doch gepaard met die van sterk Godsvertrouwen. „Wij stellen ons vertrouwen", zoo betuigt hij in zijn eersten herderlijken brief, „op de wettigheid onzer zending, daar wij die moeilijke bediening niet gezocht noch verlangd, maar als gehoorzame zoon der Kerk met huivering hebben aangenomen. Bevangt ons de vrees, wanneer wij den ons opgelegden last met onze oogen afmeten, de overtuiging, dat wij met den Profeet mogen zeggen: „In waarheid, de Heer heeft ons tot U gezonden," boezemt ons vertrouwen in."

Op het feest der Allerheiligste Drieënheid, 22 Mei, werd de eerste herderlijke brief van den nieuwen Aartsbisschop in alle kerken van de bisdommen Utrecht en Den Bosch voorgelezen.

Dank brengend aan den Gever van alle goed, kondigt hij daarin het herstel der Hiërarchie aan. Zichzelf noemt hij onwaardig, de dubbele hooge waardigheid te dragen. Maar hij vertrouwt, als Sint Paulus, juist op zijn zwakheid, die daarom