is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederlandsche bekeerlingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oogsten zoo vol onkruid geraakten, tijd werd, om opnieuw tot het ware cultuur-zaad terug te keeren; nu ik gedwongen werd, ter wille van anderen, de grondslagen van de cultuur te onderzoeken, werd het me meer en meer duidelijk, dat men in het algemeen niet diep genoeg gegraven had, maar de oorzaken te nabij had gezocht.

* * *

Verschillende voetsporen wezen me dus naar eenzelfde beginsel; en nu kwam ook het verlangen op, om eenige wetenschappelijke zekerheid te krijgen omtrent de stichting en de continuiteit van de Kerk. Had om te beginnen Petrus inderdaad in Rome gewoond? Aan een vooraanstaanden predikant stelde ik deze vraag; hij antwoordde: „daaromtrent is niets bekend”; toen ik dezelfde vraag aan een ontwikkelden katholiek voorlegde, zeide hij: „wanneer er iets geschiedkundig vaststaat, dan is het wel dit”. Deze eerste peiling liep dus niet gelukkig af; hoe moest ik hier nu zekerheid verkrijgen, waar de geleerden elkaar op een belangrijk punt zoo tegenspraken? Ik achtte het onbegonnen werk, om hierop verder te studeeren.

Dan vroeg ik me af, of er een duidelijke overeenkomst bestond tusschen de practijk van de Kerk en de leer van Christus, tusschen het leven van de geloovigen en Hem in wien ze geloofden; die overeenstemming zag ik niet; ik verlangde er naar om, al was het maar één mensch te ontmoeten, in wien ik Christus zou kunnen herkennen; ik geloof ook, dat ik daarom gebeden heb; maar óf dat het gébed te zwak was, óf dat het Gods wil was, dat ik niet zou gelooven door te zien, maar zien door te gelooven, in elk geval, het werd me niet vergund.

Tenslotte had ik weinig hoop meer op de uiterlijke getuigenissen; ik meen, dat dit deels uit lauwheid voortkwam, deels ook uit eerbied voor een geheim, dat „vleesch en bloed” niet kunnen openbaren; ik wachtte op een inwendig getuigenis,