is toegevoegd aan uw favorieten.

In het rijk van zon en sterren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NOVAE EN SUPERNOVAE

van enorme hoeveelheden stralingsenergie die er om de een of andere reden plotseling in zijn binnenste vrijkomen. De groote massa der ster blijft daarbij intact; de niettemin aanzienlijke hoeveelheden sterrengas die naar buiten stroomen, spiegelen ons a.h.w. een enorme opzwelling van het lichtend steroppervlak voor.

Hoe dat kan, is niet zoo moeilijk in te zien. Immers hoe komt het dat we de zonneschijf scherp begrensd zien, terwijl we toch weten dat de zon een gloeiende gasbol is, waarvan de dichtheid van het middelpunt af naar buiten toe geleidelijk afneemt.

De plaats van het zichtbare oppervlak van de zon of van een ster wordt bepaald door de ondoorzichtigheid van het gloeiende sterrengas. Deze ondoorzichtigheid hangt af zoowel van de dichtheid van het gas als van zijn temperatuur. Is bijvoorbeeld de temperatuur hoog genoeg, maar de dichtheid te klein, dan zal het gas doorzichtig blijven. Het kan ook zijn dat de dichtheid van een bepaalde laag wel hoog genoeg is, doch de temperatuur te laag; ook dan zullen we door het gas daar ter plaatse heen kunnen kijken. Slechts wanneer de combinatie van de dichtheid van het sterrengas en zijn hittegraad de juiste waarde heeft, zal het gas op die plaats voor ons ondoorzichtig worden, en op dat punt bespeuren we dus de rand van de zonneschijf, en zouden we de rand van de schijf van een ster waarnemen, wanneer de sterren niet veel te ver weg stonden om hun schijf onwaarneembaar te doen zijn.

Omdat door de nova aanzienlijke hoeveelheden gas het wereldruim worden ingestuurd, hebben deze aanvankelijk een betrekkelijk groote dichtheid. En wijl de temperatuur niet veel verschillen zal van die van het voormalig steroppervlak, wordt door deze combinatie van dichtheid en temperatuur een hooge mate van ondoorzichtigheid der uitgestooten gasmassa’s veroorzaakt. Een ondoorzichtigheid die op groote afstand van de ster nog steeds behouden blijft. Het gevolg is natuurlijk dat de ster ons aanzienlijk in omvang schijnt toegenomen te zijn. Naarmate nu de gassen verder het wereldruim in vliegen, worden ze ijler en daarmede doorschijnender. Wanneer nu tevens de sterkte van de gasstroom vanaf de ster vermindert, zal de plaats waar de besproken combinatie van temperatuur en dichtheid tot ondoorschijnendheid aanleiding geeft, zich dichter bij de ster terugtrekken: de sterreschijf lijkt ons dus kleiner te worden.