is toegevoegd aan uw favorieten.

In het rijk van zon en sterren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MYSTERIE DER PLANEETVORMIGE NEVELS

nova voor het bloote oog, en zelfs voor vrij groote sterrekijkers...

Voor wat het bloote oog betreft bleef het daarbij tot op den huldigen dag: de ster is nimmer meer aanschouwd kunnen worden. Maar voor de mannen met de sterrekijkers namen de omstandigheden weldra in rooskleungheid toe, want na eenige tijd steeg de sterrehelderheid weer dermate, dat ze maar net even beneden de zichtbaarheidsgrens voor ongewapende blikken kwam te liggen.

Thans, vier jaar na dato, is het sterretje langzaam aan wederom een paar grootteklassen zwakker geworden, maar die geleidelijke neergang gaat zoo traag, dat het nog wel jaren kan duren alvorens het hemellicht weer is gezonken tot de onaanzienlijke 15e grootte die het vóór de opvlamming had.

Dat het sterretje aanvankelijk van de 15e grootte was geweest, leerde de inspectie van enkele „antieke” fotografische opnamen van de hemelstreek waar de nova zich zou vertoonen, en die op de plaats van de (latere) opvlamming een sterretje te zien gaven, dat vier duizend keer zwakker was, dan de kleinste sterretjes die nog met het bloote oog waarneembaar zijn.

Lange tijd heeft men met die nieuwe sterren geen raad geweten. Maar dat was eigenlijk wel een beetje de schuld van de natuur zelf, want de twee beroemde novae, die het eerst de aandacht van ons West-Europeërs op dit soort hemelverschijnsel schijnen gevestigd te hebben, vlamden op rondom het jaar 1600, toen er dus nog van geen sterrekijkers sprake was; en toen de kijker eenmaal uitgevonden was, duurde het niet minder dan drie eeuwen alvorens de volgende nova aan het uitspansel verscheen. Dat was de nieuwe ster in Perseus, die in 1901 haar opwachting maakte en die in ons vorig hoofdstuk uitvoerig ter sprake is gekomen. Doch nadien werden de novae gelukkig talnjker, met het gevolg dat we betreffende de verschijnselen, die zich bij zoo’n sterre-