is toegevoegd aan uw favorieten.

In het rijk van zon en sterren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BAKERMAT DER PLANETAIRE NEVELS

ment is er nog geen enkel rapport binnen betreffende waargenomen nevelachtigheid rond Nova Lacertae, en dat moest toch reeds bij een diameter van twee seconden boogs. Wel, dan is daar eenvoudig mee aangetoond dat we de afstand van de nova hebben onderschat. Gesteld dat deze eens tweemaal te klein werd aangeslagen, dan staat de ster dus twee keer verder dan we meenden, en het neveltje moet op het oogenblik niet 2, maar nog slechts 1 boogseconde zijn, en dat is zelfs voor de machtige refractoren op Lick en Yerkes nog wel wat weinig.

Wat deze novae nu feitelijk met ons onderwerp van bespreking, de ringnevels, en in het algemeen de planeetvormige nevels, hebben uit te staan, zal langzamerhand al wel duidelijk zijn. Want ligt het niet zeer voor de hand om te onderstellen, dat die planeetnevels van thans eigenlijk niets anders dan de overblijfsels van voormalige novae zijn?

Een curieus staaltje van de verrassingen waartoe deze hypothese kan voeren, hebben we betrekkelijk kort geleden meegemaakt bij de z.g. Crab-nevel, een vrij onregelmatige nevelvlek in de Stier (plaat X).

Deze Crab-nevel is al een oude bekende. Hij werd ontdekt in 1731, maar zonder dat het bericht blijkbaar tot de astronomische wereld doordrong, want toen in 1758 de Fransche sterrekundige Messier bij zijn regelmatige strooptochten langs de hemel (naar kometenwüd) met zijn kijker op dit neveltje stiet, en bemerkte dat het ding de volgende avond nog steeds stokstijf op dezelfde plaats stond — zoodat het dus onmogelijk een komeet kon wezen — meende Messier toch in ieder geval een gloednieuwe nevel op het spoor te zijn gekomen. En dit deed hem dan ook het plan opvatten om zijn welbekende lijst van „nevelvlekken” te gaan samenstellen.

Bij deze Crab-nevel (die zijn naam ontleent aan het iet of wat fantastische uiterlijk van een \reeft, dat hij in de