is toegevoegd aan uw favorieten.

In het rijk van zon en sterren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MYSTERIE DER PLANEETVORMIGE NEVELS

ken na bereiken. Maar zelfs afgezien van dit uitzonderlijke geval behooren de planetaire nevels tot de kortstlevende hemellichamen die men op het oogenblik kent.

* * *

Nu moeten we, tot slot, nog even gaan zien, wat er van de oorspronkelijke ster na zoo’n novacatastrophe overblijft.

Oogenschijnlijk is na eenige tijd de oude toestand weer hersteld, want het goed gebruik wil immers, dat na meer of minder duidelijke stuiptrekkingen — die zich o.a. kenmerken door schommelingen in de lichtsterkte — de ster langzaam maar seker weer tot haar vroegere bescheiden helderheidsklasse van vóór de opvlamming terugkeert. Maar dat is toch slechts bedriegelijke schijn, want er is een diepgaand onderscheid gekomen tusschen de ster van voorheen en die van thans. We demonstreeren dit misschien het beste aan de dingen, die bij de Nova Hercuhs aan het licht kwamen.

Op het moment waarop we door de ijle nevelsluiers heen het oorspronkelijke sterretje weer te zien kregen — 4l/2 maand na de uitbarsting — bepaalde men zijn temperatuur en zie, deze was onder al die bedrijven niet weinig opgeloopen. Terwijl de buitenste lagen van de ster vóór de opvlamming zooiets als 5000° waren geweest (iets koeler dus dan de zon), bleken deze na afloop te zijn gestegen tot het 14-voudige van dit bedrag: niet minder dan 70.000°!

Natuurlijk straalt iedere vierkante meter van een sterreoppervlak van 70.000° veel meer energie uit dan een van 5000°. Maar niettegenstaande dat verscheen de ster ons in beide gevallen even helder, namelijk van de 15de grootte. Dat kon alleen als het steroppervlak voorheen veel grooter was dan thans. Het is een klein kunstje om te becijferen dat de nova, die aanvankelijk net zoo groot was als de zon, na de opvlamming ineengeschrompeld moet zijn tot de grootte eener planeet, met een diameter van slechts V40 zonsmiddellijn, iets kleiner dan onze planeet Uranus dus.