is toegevoegd aan uw favorieten.

Het fascisme en de nieuwe vrijheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onvolwaardigen en verachten: de burgers, de kooplieden, de Joden. En al is het juist dat iedere werkelijk cultuur overal in een uitzonderingspositie staat, en niet, of slechts na veel strijd, erkend wordt door de officiële machten, er is een groot verschil tussen de toestand in de West-Europese landen, waar de heersende groepen altijd één of twee generaties ten achter zijn, en de toestand in Pruisen, waar de heersende groepen alleen een militaire cultuur aanvaardden, of op z’n best, de voor het militaire leven bruikbare elementen uit de cultuur peuterden (van Kant en Hegel tot en met Nietzsche is de werkelijk cultuur op deze wijze door de Pruisen bewerkt) en zo een eigen cultuur tot stand brachten, die men niet anders dan „kazemisme” kan noemen. In Europa hadden de heersende klassen „cultuur”, zij het dan ook in een verouderde uitgave. In Duitsland hadden de heersers geen cultuur, maar een „Ersatz”, een slecht surrogaat van cultuur, het kazemisme.

Ze hadden die Ersatz-cultuur. Maar hebben ze haar nog? Neen, want er is iets veranderd sedert het Wilhelminische tijdperk, waarover we hierboven spreken. Toen heerste de officier, d.w.z. wel niet meer de scheppende geest, zelfs op militair gebied, maar dan toch altijd nog de leidende geest, het kader. En het overige kader, de industriëlen, de zakenlui, de intellectuelen, die zich bij de staat wilden aanpassen, moesten de superioriteit van de officier erkennen. Dat ging soms moeilijk, maar men speelde het klaar. En het meest typische, en in zekere zin ook meest weerzinwekkende geval, is dat van Walter Rathenau, de zo begaafde, zich aan de wereldcultuur lavende, Joodse groot-industrieel, denker en politicus, die zich z’n hele leven door inspande, om de Pruisische garde-luitenants, de brute Jonkers, ervan te overtuigen, dat hij, Rathenau, óók een mens was, een mens van wie de jonkers op sommige gebieden misschien zelfs wat zouden kunnen leren, en die dus — allereerbiedigst natuurlijk meende recht te hebben op een fatsoenlijke behandeling van de kant der blonde jonkers in officiers-uniform. Een dergelijke slaven-mentaliteit vindt men bij alle Duitse intellectuelen uit die periode, voorzover ze binnen het kader van de Wilhelminische staat wilden werken. Hun slavengezindheid echter had betrekking op de „officieren”, de Jonkers.

Na 1918 is echter het rijk der officieren vernietigd en alle po-