is toegevoegd aan uw favorieten.

Het fascisme en de nieuwe vrijheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar streeft, (gemeenschapsbelang tegen winstbejag) óf het als een dwaasheid beschouwt (het heroïsche leven tegen het comfortabele ) óf het probleem niet duidelijk durft te stellen (middengroepen-intellectuelen tegen proletariaat) maar deze elementen behoeven geenszins fascistisch te zijn, doch ze kunnen, van hun absolutistische strekking en demagogische toepassing ontdaan, zeer wel in een anti-fascistisch wereldbeeld passen; ja, ze behoren daarin te passen. Weer andere elementen, zoals het „corporatisme” zijn slechts zijdelings met het fascisme verbonden. Ze behoren thuis in de problemen-reeks van „hervorming van de staat en van de economie” en het streven naar nieuwe organen, sociale autoriteiten en -instellingen, waarin ze dan, zowel van Rooms-Katholieke, van neo-syndicalistische en neo-socialistische zijde, als tenslotte van fascistische kant gebracht worden.

Het „corporatisme” is een typisch voorbeeld van de wijze, waarop de werkelijke trekken van het fascisme door voortdurende propaganda en kwasi-wetenschappelijke litteratuur kunnen worden overdekt, zodat een „nieuw gezicht” van het fascisme ontstaat; in dit geval dus dat van de „corporatieve staat”. Voor tallozen, vooral onder die intellectuelen die zich steeds weer laten imponeren door diepzinnig aandoende verhandelingen en ingewikkelde terminologie, is de „corporatieve staat” de essentieelste trek van het fascisme. Uit het bijzondere, mysterieuze, karakter van zo’n corporatieve staat komen al de weldoende en regenerérende werkingen van het fascisme voort. Tegenover de kunstmatige structuur van de „demo-liberale” of de socialistische maatschappij, staat dan het „organische” karakter van de corporatieve maatschappij. En het woord „organisch” is voor velen, wat „bloed” of „ras” weer voor anderen zijn, woorden die een geheimzinnige lusthuivering verwekken. De hoogste lof voor een maatschappij schijnt te zijn dat ze „organisch” is, wat ze natuurlijk nooit zijn kan, aangezien ze altijd kunstmatig is, en aangezien er in werkelijkheid geen hoger lof voor een maatschappij behoorde te bestaan, dan dat ze een meesterlijk geslaagd werkstuk, een „kunstwerk” is. Wie nu kennis neemt van de litteratuur over het corporatisme1),

l) Een, als steeds, meesterlijke samenvatting hiervan geeft Gaétan Pirou: „Essais sur le Corporatisme" (Parijs 1938); een zeer uitvoerige studie van de theorie en de practijk geeft Franfois Perroux: „Capitalisme et Communauté de Travail" (Parijs 1938).