is toegevoegd aan uw favorieten.

Het fascisme en de nieuwe vrijheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot primitievere levenshouding en maatschappij-inrichting. Het heeft sterk regressieve trekken en het wekt de indruk van een terugvallen in de barbaarsheid. En aangezien „men” weet, dat de barbaarsheid en de mythe iets met elkaar te maken hebben, neemt men dus in het algemeen klakkeloos aan, dat het fascisme juist daarom een mythe als ondergrond en als bezielende kracht heeft en dat dit dan wel „de mythe van de twintigste eeuw” zal zijn. Voor talrijke intellectuelen is dan tegelijkertijd bewezen, dat het fascisme onweerstaanbaar is, want zo zeggen ze, ook al zijn ze tegenstanders van het fascisme: wij zijn te beschaafd, te verfijnd, te kwetsbaar, te sceptisch, te beredeneerd, te weinig vitaal — de toekomst is aan een ruw, barbaars geloof, vol vitaliteit, dat over onze uitgeputte beschaving zal heengaan, alles verwoestend, maar daardoor, in de toekomst, mogelijkheden voor een nieuwe beschaving brengend. Tegen dit fatalisme nu, moet er in de eerste plaats op gewezen worden, dat een mythe alleen dan spontaan in de barbaarsheid ontstaat, als die barbaarsheid zich in de richting van een totbeschaving-worden beweegt. (In de historie zien we dan ook meestal mythen ontstaan, als barbaren met een beschaving in aanraking komen, erdoor beïnvloed worden). Een mythe is dus niet een product van een regressieve, doch van een progressieve beweging. En dat dient ons reeds wantrouwend te maken ten aanzien van de nazi-mythe. Het dient ons te doen beseffen, dat de nazi-mythe geen echte mythe is, doch een gewilde, kunstmatige, geconstrueerd om zijn drang naar barbaarsheid een gewijd karakter te geven. Het is geen echte mythe, omdat het geen mythe van barbaren is, die zich beschaven, doch van beschaafden, die zich willen barbariseren. Maar behalve onecht, kunstmatig, moet zo n „mythe in omgekeerde richting”, zo’n mythe, die niet naar de cultuur toe, doch van de cultuur af gaat, tegelijkertijd een vulgarisatie der cultuur en der critiek op die cultuur zijn.

Ook de mythe, zoals die bij Sorel beschreven en beredeneerd wordt — nooit „beleefd” wordt, want Sorel maakt steeds een onderscheid tussen zich zelf, de waarnemer en beschrijver, en de massa, die in een toestand van spanning is en daar haar intuïties krijgt, die tot mythe worden — is altijd kunstmatig, maar ze is niet „vulgair”, omdat ze van de lagere beschaving (bij Sorel „kapitalisme”) naar de hogere (bij Sorel „syndicalisme”) gaat, van de geknotte naar de zich ontplooiende persoonlijkheid.