is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeruzalem-Antiochië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nooit zijn 's Heeren vermaningen zoo gretig aangehoord en met zoo vurige edelmoedigheid door allen in praktijk gebracht als in deze tijden. De herinnering aan Jezus' optreden was nog onder hen geheel levend, het verhaal van de gebeurtenissen van zijn leven en zijn lessen klonken vol frischheid en zalving uit den mond van ooggetuigen, en vooral: de harten waren door de genade van den H. Geest ontvankelijk gemaakt.

Boven al hadden de opwekkingen tot liefde, broederschap, en weldadigheid diepen indruk gemaakt. Het afscheidswoord van Jezus: „Hieraan zullen allen erkennen, dat gij mijn leerlingen zijt, zoo gij liefde hebt voor elkander" (Jo. 13, 35) werd in de kerk van Jeruzalem levende werkelijkheid. Zij was één groot huisgezin, waarvan de leden elkander den naam van broeder gaven. Broederlijke genegenheid was hun kenmerkende trek. Er was onder hen eenheid van geest en hart, maar ook zelfs gemeenschap van stoffelijke goederen. „Alle geloovigen waren ten nauwste vereenigd, en bezaten alles gemeenschappelijk; hun bezittingen en goederen verkochten ze, en verdeelden ze onder allen, naar mate van ieders behoefte." Uit deze woorden van de Handelingen (2, 44. 45) moeten we besluiten, dat zij, zooveel het in de nieuwe omstandigheden ging, de levenswijze wilden navolgen van Jezus en de apostelen, die van een gemeenschappelijke beurs geleefd hadden. Er mochten geen behoeftigen onder hen zijn, maar allen moesten in de goederen van de stoffelijk meer bevoorrechte broeders deelen.

Moet men nu uit deze beschrijving opmaken, dat de geloovigen van Jeruzalem, zonder vrijen eigendom, in volkomen gemeenschap van goederen leefden, zooals heden ten dage de leden onzer kloostergemeenschappen? Steunend op sommige zegswijzen van den tekst, als „zij bezaten alles gemeenschappelijk", heeft men dit meer dan eens beweerd, maar ten onrechte. Zeker is, dat — over het algemeen gesproken — de eerste geloovigen de huizen, welke zij bewoonden, vrij in eigendom bezaten. Er wordt gesproken van Maria, moeder van Joannes Marcus, een der ijverigste onder de geloovige vrouwen van Jeruzalem, die haar eigen huis als plaats van verzameling ter beschikking van de geloovigen stelde. Zij echter, die rijker met aardsche goederen bedeeld waren, verkochten gaarne hun eigendommen, als huizen en landerijen, die zij niet strikt noodig hadden, ten voordeele der armen. Zij legden den gewonnen prijs neer aan de voeten der apostelen: daardoor deden