is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeruzalem-Antiochië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij was vroeger voor geld veel geheime kunstgrepen machtig geworden. Op zekeren dag besloot hij, zijn slag te slaan, zocht de beide apostelen op, en bood hun een groote som gelds, een heel vermogen, aan: „Geef mij ook die macht," zeide hij, „dat ieder, wien ik de handen opleg, den H. Geest ontvangt."

Een oogenblik stonden de apostelen sprakeloos. Die woorden waren een al te schrille wanklank bij de vurige betuigingen van geloof, die zij van de nieuwbekeerden gewoon waren. Toen doorpeilde Simon Petrus met één blik al de dubbelzinnigheid en zelfzucht in de ziel van den man, die de gaven zoo grof miskende. In heiligen toorn sprak hij? „Uw geld zij met u ten verderve, daar gij gemeend hebt, de gave Gods voor geld te krijgen! Gij hebt geen lot of aandeel hierin, want uw hart is niet recht voor den Heer. Heb dan berouw over uw boosheid, en bid den Heer, of die toeleg van uw hart u vergeven mag worden. Want ik zie u in bittere gal, en verstrikt in ongerechtigheid!"

De vlammende blik en het trillend woord van het hoofd der apostelen sloegen den bedrieger met schrik. Voor het eerst misschien daagde er in zijn hard gemoed eenig begrip van de grootheid der gaven Gods, waarmee hij onwaardig spel had willen drijven. „Bidt gijzelf den Heer voor mij, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt", antwoordde hij bevend. Beschaamd en als geslagen sloop hij weg.

Petrus en Joannes verbleven nog geruimen tijd in Samaria, om de nieuwbekeerden te sterken. Hun terugkeer naar Jeruzalem was een missie-reis, want zij hielden zich in de kleine steden, waar zij doortrokken, op, om het Evangelie te prediken. De landstreek Samaria was voorgoed voor het woord Gods geopend.

Van Simon den Toovenaar wordt verder in de H. Schrift geen melding meer gemaakt. Des te meer wordt hij genoemd bij oude kerkelijke schrijvers, waaronder vooral twee uit de tweede eeuw: de H. Justinus apologeet en de H. Ireneüs. Hieruit blijkt, dat, zoo de bedrieger al een oogenblik van berouw mag hebben gehad, hij toch spoedig tot zijn zwarte kunst is teruggekeerd. Occultisme en magie werden in dien tijd druk gepraktizeerd. Hoe meer het grove veelgodendom en de officieele godsdienst-praktijken der afzonderlijke volken ook bij de menigte aan crediet gingen verliezen, des te meer ging men te rade bij magie en occult werkende krachten; zulke praktijken werden met een schijn van wetenschap voor-