is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeruzalem-Antiochië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hartstochten weer zou opwekken en den vrede verstoren. Maar na zijn heengaan legden de hooggaande golven zich spoedig neer. „De Kerk over heel Judea, Galilea en Samaria genoot vrede, aangroeiend en wandelend in de vreeze des Heeren, en door de inspraak van den heiligen Geest breidde ze zich uit".

Deze wooren der Handelingen teekenen den toestand der Kerk in dit tijdperk, nu ze op het punt staat, zich tot de heidenen te richten.

Ze telde haar aanhangers en gemeenten in talrijke plaatsen, over geheel het Joodsche land verbreid, dat in wijderen zin Judea werd genoemd (in engeren zin was het de Zuidelijke landstreek, die ongeveer aan het oude Rijk Juda beantwoordde, thans Romeinsche provincie), zoodat het woord des Heeren was vervuld, dat de apostelen voor Hem zouden getuigen in geheel Judea en Samaria. Joden en Samaritanen, zoowel als Hebreeën en Hellenisten, voelden zich één van hart en ziel in de beleving der genade, in de ééne kudde van Christus. Zij hadden één Heer, één geloof, één doopsel.

De Kerk genoot de inspraak van den H. Geest, die ze bezielde. Deze lichtte niet alleen de apostelen voor, maar toonde zich ook in wonderbare gaven en opwekkingen of charismen, die aan vele geloovigen ten deel vielen, en ze maakten tot verkondigers van het Evangelie of bezielde predikers, aankondigers van toekomstige en verborgen dingen, begenadigde mededeelers van gunsten en genezingen. Ieder geloovige werkte door overtuiging en voorbeeld in eigen omgeving mede aan de uitbreiding van het Rijk Gods.

Ook uiterlijk genoot de Kerk rust. Tegen de aanhangers van „den nieuwen Weg", die om hun stipte onderhouding der Wet werden hooggeschat, gold geen enkele rechtstitel tot vervolging. Vandaar, dat elke uitbarsting van dweepzucht na eenigen tijd weer geleidelijk tot bedaren moest komen. De Nazareners waren toch daarom niet minder goede volksgenooten of vijanden van het Jodendom, wijl zij het getuigenis van Joannes den Dooper aanvaardden en de zending van Jezus erkenden. Hielden zij niet met overtuiging vast aan de Belofte, en aan alle groote waarheden der Joodsche overlevering?

Dit neemt echter niet weg, dat de machthebbers de snelle uitbreiding der leer maar met tegenzin duldden; alleen al hierom, wijl zij zich van den aanvang af tegen Jezus en zijn leerlingen