is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeruzalem-Antiochië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voet tegen vallen beschut, biedt zeer geschikte gelegenheid tot gebed, wijl men er tegen onbescheiden blikken van buiten beschermd is, en zelf een wijd uitzicht heeft op de omgeving. Na een tijdlang gebeden te hebben, voelde de apostel, die ongetwijfeld nog nuchter was, honger. Hij gaf last, eenige spijzen gereed te maken, en zette in afwachting daarvan zijn gebed voort.

Toen kwam over hem een geestverrukking. Er vertoonde zich aan hem een gezicht, dat aan zijn lichamelijken toestand van dat oogenblik was aangepast. Het was hem, alsof de hemel zelf hem een maaltijd wilde bieden. Het hemelruim werd geopend, en uit de diepten ervan daalde als een reusachtig groot laken naar omlaag, dat als door een onzichtbare hand aan de vier uiteinden vastgehouden, langzaam werd neergelaten. Toen het naderkwam, zag de apostel het laken vol van dieren van allerlei soort, viervoetige, kruipende en gevleugelde dieren. Er waren reine dieren bij, wier vleesch gegeten mocht worden, maar de meeste waren onrein, die nooit op een Joodsche tafel mochten verschijnen. Een stem riep hem toe; „Sta op, Petrus, slacht en eet!"

De apostel voelde al den afkeer van het onreine in zich levendig worden, die een levenslange onderhouding der Mozaïsche voorschriften in hem had aangekweekt. „Volstrekt niet, Heer", protesteerde hij, „want nog nooit heb ik iets onheiligs of onreins gegeten!" Zoo had ook de profeet Ezechiël eens zijn weerzin getoond, toen God hem beval, een wettelijk verontreinigde spijs te eten; God had hem toen in plaats daarvan iets anders toegestaan. Maar ditmaal klonk het antwoord onherroepelijk; „W a t God rein verklaard heeft, noem gij dat niet onr e i n!"

De oproep en het antwoord herhaalde zich nog een tweede en derde maal. En toen het voor de derde maal geklonken had; „Wat God rein verklaard heeft, noem gij dat niet onrein!", werd het laken weer ten hemel opgenomen. Het vizioen was verdwenen, boven Petrus' hoofd welfde zich weer de ongebroken blauwe lucht, en de apostel bleef diep in gedachten verzonken, wat wel die openbaring beteekenen mocht.

Dat was het oogenblik, waarop de drie boodschappers van Cornelius, op zoek naar het huis van Simon den leerlooier, voor de deur stonden. Petrus hoorde hen buiten luide vragen, of een zekere Simon, die bijgenaamd was Petrus, daar inwoonde. Een innerlijke stem gelastte hem: „Dat zijn mannen, die u zoeken. Sta