is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeruzalem-Antiochië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op zonder bedenken, ga naar beneden, en vertrek zonder aarzelen met hen, want Ik heb u gezonden". Hij begreep, dat er nu licht ging komen. Hij steeg af, en stelde zich aan de mannen voort „Zie, ik ben degene, dien gij zoekt: wat is de reden van uw komst?" Toen werd hem de boodschap overgebracht: „Cornelius, een honderdman, een rechtvaardig en godvreezend man, die goede getuigenis heeft van heel het volk der Joden, heeft van een heiligen engel de openbaring ontvangen, u naar zijn woning te doen ontbieden, en woorden van u te vernemen."

Hoe buitengewoon deze boodschap klinken mocht, zij hield een toepassing in van het aan Petrus verleende gezicht. De apostel verwelkomde de heidensche mannen en ontving hen gastvrij. Daar zij vermoeid moesten zijn van de lange reis, was er geen sprake van, dat zij aanstonds de terugreis zouden aanvaarden. Petrus deed hun een maaltijd voorzetten, vroeg naar nadere bijzonderheden omtrent hun meester, en noodigde hen uit, in het huis, waar hij zelf gastvrijheid genoot, den nacht door te brengen, om, daar uitgerust en verkwikt, den nieuwen tocht te ondernemen.

Den volgenden morgen ging hij met hen op weg, vergezeld van zes geloovigen uit Joppe, die van de wonderbare uitnoodiging op de hoogte waren. Denkelijk wenschte Petrus zelf, dat er getuigen bij de volgende gebeurtenissen zouden aanwezig zijn, daar hij zich bewust was van den aanstoot, dien zijn omgang met heidenmenschen aan de Joden zou geven. Het gezelschap overnachtte onderweg, en kwam eerst den vierden dag op den middag te Caesarea aan. Cornelius wachtte hen met ongeduld. Hij had den tijd berekend, waarop ongeveer zijn dienaars met Petrus konden aankomen, en zijn verwanten en intieme vrienden op dat uur bij zich genoodigd. Allen zagen met verlangen naar den Godsgezant uit.

Zoodra de brave officier Petrus' aankomst vernam, snelde hij hem bij den ingang van zijn huis tegemoet, en wierp zich voor den man Gods ter aarde. Maar Petrus' nederigheid schrok terug voor dit eerbewijs, zoo ongewoon voor een Romein, en waardoor hij zelf vroeger zijn goddelijken Meester hulde van aanbidding had gebracht. „Sta op, want ook ik ben een mensch," zeide hij; en den honderdman snel opheffend, onderhield hij zich hartelijk met hem en trad zijn woning binnen.

Daar vond hij een groot gezelschap van uitgenoodigden. Petrus wendde zich tot hen allen: „Gij weet," zeide hij, „hoezeer het een