is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeruzalem-Antiochië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jood ongeoorloofd is, met een vreemdeling gemeenschap te hebben, of tot hem in te gaan. Maar God heeft mij getoond, dat men geen mensch onheilig of onrein moet noemen. Daarom ben ik ook, toen ik gevraagd werd, zonder tegenspraak gekomen." De beteekenis van het vizioen was Petrus duidelijk geworden!

Het Mozaïsch onderscheid van reine en onreine spijzen, dat de Joden altijd aan een afzonderlijke tafel bond met eigen spijswetten, had tezamen met de reinheidswetten een strenge scheiding tusschen de Joden en de andere volken bewerkt, die ieder meer gemeenzamen omgang van een Jood met een heiden onmogelijk maakte. De Jood waakte nauwgezet niet alleen over de hoedanigheid, maar ook over de bereiding der spijzen: aan de tafel van een heiden kon hij daarom niet aanzitten. Daarbij kwam, dat de strenge beoefenaar der Wet op honderd manieren moest vreezen, een wettelijke verontreiniging te beloopen door dingen, waar een heiden zelfs geen acht op sloeg. Petrus overdreef niet. Ofschoon de Wet den omgang met de heidenen niet verbood, kon deze toch niet anders dan een uiterlijke en oppervlakkige zijn, die door handelsrelaties of burgerlijk samentreffen noodzakelijk gemaakt werd. Strenge Joden vermeden zelfs het huis van een heiden binnen te gaan, om geen kans van verontreiniging te beloopen.

In heidensche steden vormden de Joden kolonies, om zich door samenwonen veiliger tegen Wetsovertreding te hoeden. Deze zucht naar afzondering, door gedachten van uitverkiezing en reinheid ingegeven, werd dikwijls door heidenen kwalijk genomen en als verachting aangevoeld. „Onder elkaar," zegt de Romeinsche geschiedschrijver Tacitus, „houden ze zich zonder weifelen aan het gegeven woord, zijn ze vlug met aalmoezen, maar alle vreemden haten ze als vijanden; aan tafel zonderen ze zich af, van huwelijksomgang trekken ze zich terug." De anderen wreekten zich door spot op Joodsche gebruiken, als besnijdenis en verbod om varkensvleesch te eten, en door minachtende uitingen over volk en godsdienst, die we zelfs bij ernstige schrijvers aantreffen.

Maar nu hadden al deze wetten haar kracht verloren, en werd de scheidingsmuur tusschen Jood en heiden opgeheven! „Wat God rein verklaard heeft, noem gij dat niet onrein!" Petrus begreep nu de vérstrekkende beteekenis van dit woord. De ceremonieelvoorschriften der Wet, geheel het streven naar uiterlijke heiligheid en reinheid, waarin de Joden zoozeer opgingen, behoorde