is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeruzalem-Antiochië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze vorst nu was het, die een vervolging inzette tegen de Kerk, gevaarlijker dan ooit te voren.

„In die dagen stak Herodes de hand uit, om eenige leden van de Kerk te kwellen. Hij liet Jacobus, den broeder van Joannes, door het zwaard ter dood brengen. Ziende, dat hij aan de Joden welgevallig was, ging hij verder, en zette ook Petrus in de gevangenis."

Deze woorden der Handelingen geven duidelijk de beweegredenen van 's konings handelwijze aan: hij wilde daardoor bij de Joden in de gunst komen. De eerste Herodes was vervolger geweest uit achterdocht} de Hooge Raad had vervolgd uit haat, Saulus uit valschen godsdienstijver. Agrippa werd vervolger uit berekening. Het was voor hem een van de wijzen, om als beschermer van het officieële Jodendom door te gaan, doordat hij zijn zwaard in dienst van den godsdienstijver stelde. Wat het Sanhedrin en zijn aanhang niet hadden kunnen doorvoeren bij de Romeinsche procuratoren, die niet wilden intreden in hetgeen zij voor Joodsche geschilpunten hielden, en slechts het algemeen recht wilden handhaven, dat kregen zij bij den Joodschen koning gemakkelijk gedaan: de onderdrukking van de sekte, die zij als strijdig met de Wet voorstelden.

Herodes moet al eenigen tijd aan het bewind geweest zijn, voordat hij den toestand had overzien: velen plaatsen de vervolging in het jaar 42, anderen in 44.

Onverwachts liet de koning den apostel Jacobus, zoon van Zebedaeus, gevangen nemen. Hij volgde dus de beproefde methode: de groep in haar leiders te treffen. Was het een toeval, dat juist dezen apostel in handen der gerechtsdienaars deed vallen, als slachtoffer van een plotseling uitgebroken geweld? Had hij zich misschien als voorstander van de bekeering der heidenen doen opmerken? Wij kennen de omstandigheden niet, die juist Jacobus het lot toebeschikten, om als eerste der Twaalf de prediking met zijn bloed te bezegelen. Zeker was dit het antwoord van den Zaligmaker op de bede van Salome, die voor haar beide zonen, Joannes en Jacobus, een eereplaats in Jezus' Rijk gevraagd had. „Kunt gij den kelk drinken, dien Ik zal drinken?" was Jezus' wederwoord geweest. En op hun vertrouwvolle bevestiging had Hij laten volgen: „Mijn kelk zult gij drinken" (Matth. 20, 22. 23).

Beide broeders waren met Petrus de bevoorrechte leerlingen des Heeren geweest, getuigen zoowel van zijn doodsangst als van