is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeruzalem-Antiochië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beide apostelen, maar ook hun komst en verblijf in Jeruzalem, ofschoon door Lucas reeds aangeduid bij het verhaal van Agabus' voorspelling, toch eerst na den dood van Agrippa vielen. Zij zullen de reis niet aanvaard hebben, voordat de schaarschte aan levensmiddelen en de behoefte aan bijstand zich in Jeruzalem werkelijk deden voelen. De collecte, die bij Agabus' komst begonnen was, kan best over jaren geloopen hebben, en tot een aanzienlijk bedrag gestegen zijn. Misschien hebben de geloovigen de gedragslijn gevolgd, die door Paulus later voor de Korinthiërs is aangegeven: dat zij bij elk der wekelijksche bijeenkomsten een vastgestelde som, naar ieders vermogen, ter zijde legden, en aldus het bedrag langzaam lieten oploopen. Volgens verhaal van Flavius Josephus viel de groote hongersnood in Jeruzalem op het eind van Cuspius Fadus' bestuur en onder diens opvolger Tiberius Alexander, dat is rond de jaren 46 en 47.

Ook andere gewesten buiten Judea werden onder Claudius' regeering door de plaag van den honger geteisterd, zoodat de geschiedschrijver Suetonius spreekt van aanhoudende mislukkingen van den oogst. Reeds bij den aanvang van 's keizers regeering heerschte gebrek aan levensmiddelen in de hoofdstad Rome, zoodat Claudius maatregelen nam voor de toekomst, en aan de monding van den Tiber een haven liet maken, om ook s winters koren te kunnen aanvoeren. Later vinden we, in het achtste of negende jaar van zijn bewind, een hongersnood in Griekenland vermeld. Opnieuw deed zich twee jaar later de honger in Rome gevoelen. Hiermee moet noodzakelijk schaarschte aan levensmiddelen in de provincies gepaard zijn gegaan; want daar Rome het middelpunt was, waar het graan uit de provincies werd aangevoerd, veronderstelt de hongersnood in Rome ook de mislukking van den oogst in Afrika en de groote korengebieden. Zoo zien we Agabus' voorspelling over een komenden hongersnood, niet alleen in Judea, maar over geheel het rijksgebied, onder Claudius in vervulling gaan.

Voor Barnabas en Saulus was het zeker een troost, dat zij in staat waren, door ruime middelen de noodlijdende broeders te helpen. Er werd een hulpdienst georganiseerd: aan het hoofd stond het college van ouderlingen in Jeruzalem, die de uitdeelingen regelden. Dat beide Evangelie-verkondigers, die de drijfkracht waren van de heidenprediking in Antiochië, zoo langen tijd — op zijn minst gedurende een winterseizoen — in Jeruzalem zich aan