is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeruzalem-Antiochië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die als hoofd der Jeruzalemsche kerk een groote rol speelt Wie kan dit anders zijn dan de tweede Jacobus onder de reeds genoemde apostelen, de zoon van Alphaeus? Anders ware er alle reden geweest, om Jacobus van Jeruzalem van Jacobus den apostel te onderscheiden en als derde van dien naam in te leiden; Lucas, die met recht den naam van een zeer ordelijk en overzichtelijk schrijver heeft, zou dit niet hebben nagelaten. Wij nemen dus aan, dat Jacobus „de Mindere" (Mc. 15, 40), de broeder des Heeren, evenals zijn broeder Judas Thaddaeus, tot het getal der Twaalf was uitverkoren.

Op verlangen der apostelen bleef hij in Jeruzalem zelf de Jodenchristenheid leiden. Zijn persoonlijke eigenschappen, het aanzien, dat hij bij geloovigen en volk genoot, maakten hem daarvoor den aangewezen man. Van een kalmer natuur dan Petrus of Paulus, maar wilskrachtig, was hij tot strengheid jegens zichzelf geneigd. Hij ging allen voor in het stipt onderhouden der Wet, maar voegde er nog veel eigen strengheden aan toe. Hegesippus, een kerkelijk geschiedschrijver uit de tweede eeuw, vermeldt van hem, dat hij op de wijze der Nazireeërs leefde: hij Üet zich het haar groeien, en dronk geen bedwelmenden drank; ook at hij geen vleesch, en nam hij geen baden of zalfolie, om zich te verfrisschen; van het veelvuldig bidden in den tempel waren zijn knieën met dik eelt bedekt als die van een kameel.

Jacobus' leven van gebed en boete, zijn doorgroefd gelaat en eerbiedwaardig uiterlijk, moeten het volk levendig herinnerd hebben aan de groote mannen van Israëls verleden, die de zonden van hun volk gedragen hadden. Jacobus trad in hun voetspoor. Het verwondert ons daarom niet, bij Hegesippus vermeld te vinden, dat men hem den Rechtvaardige en de Schutsweer van het volk noemde. Flavius Josephus zelf verhaalt, dat bij Jacobus terdoodbrenging, die bij afwezigheid van een Romeinschen landvoogd door den Sadduceeschen hoogepriester Ananus was doorgezet, vele inwoners van Jeruzalem bedroefd en verontwaardigd waren, en er bij Agrippa II en den nieuwen landvoogd Albinus op aandrongen, dat zoo iets niet meer zou voorkomen; hetgeen de afzetting van den hoogepriester ten gevolge had.

Jacobus voelde de Joodsche ziel met haar eerbied voor traditie en uiterlijke gestrengheid aan, en verwezenlijkte zelf het ideaal van Joodsche deugdbetrachting. Zijn nauwgezette onderhouding der Wet deed hem zelfs de achting der Farizeeën winnen. Het