is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeruzalem-Antiochië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vader is deze: zorg te dragen voor weezen en weduwen in hun rampspoed; en zich onbesmet van de wereld te bewaren" (1, 27).

Zoó goed had hij Jezus' woord tot de Farizeeën begrepen; „Barmhartigheid wil ik, en geen offerande". Zijn Brief herinnert het meest aan de Bergrede van den Zaligmaker, welker spreuken hij soms letterlijk aanhaalt. Onder hem moet de vanouds beoefende liefde en weldadigheid in de moederkerk wel gebloeid hebben. Hij spreekt ook in zijn Brief over de volmaakte wet der vrijheid. De Wetsvoorschriften waren hem geen uiterlijke dwang en heerschappij van de letter, maar vrije drang der liefde. In Jacobus' optreden reikten Jodendom en Evangelie elkaar de hand: daarom was hij in Jeruzalem op zijn juiste plaats.

Hij, de eenige, die niet reiziger was onder de apostelen, is tot zijn dood toe in de heilige stad gebleven; zijn invloed echter strekte zich over heel de Joden-christenheid uit. In het jaar 62 werd hij onder den hoogepriester Ananus (een zoon van den beruchten Annas uit de lijdensgeschiedenis des Heeren) gesteenigd, en, — naar het verhaal van Hegesippus — toen bleek, dat hij nog niet bezweken was, met een voldersstok afgemaakt. De goedgezinden oordeelden, dat de stad haar schutsweer verloren had. Van toen af hebben rampen zonder tal haar getroffen.

Rond het jaar 49 treffen we in de heilige stad tezamen met Petrus en Jacobus nog Joannes aan, die evenals beide eersten in hoog aanzien stond (Gal. 2, 6 en vlg.).

Den zoon van Zebedaeus ontmoeten we vaak in gezelschap van Petrus: beide bevoorrechte leerlingen waren door vriendschapsband verbonden. Beide visschers van Bethsaida hadden zich met hun broers Jacobus en Andreas eerst bij Joannes den Dooper, later bij Jezus aangesloten.

Joannes wijdde zich in Jeruzalem aan de zorg voor de moeder des Heeren, die hem bijzonder was toevertrouwd, en die hij met heiligen eerbied en kinderlijke toewijding omgaf; wie tot haar naderde, werd door Joannes tot haar gebracht. Hij moet ook uit Maria's mond de geheimen van Jezus' ontvangenis, geboorte en jeugd vernomen hebben, die later door Lucas werden opgetee» kend. Hoeveel nieuw licht moet de meest bevoorrechte onder de geestelijke zonen der Maagd uit haar mededeeling geput hebben, wanneer Maria den mond opende tot het bespreken van geheimen, die zij jaren lang als een gewijden schat in haar hart had bewaard!