is toegevoegd aan uw favorieten.

De zonde in den tuin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ginnen met 2, 16 het woord „de Mensch" als eigennaam „Adam" opgevat. Hiëronymus volgt hem ook hierin, te beginnen met 2, 19. De grieksche vertaler had, onder invloed van 1, 26, in 2, 18 een meervoudsvorm van het werkwoord gebruikt, en daarom zet ook St. Hiëronymus „faciamus". Verdere LXX-lezingen in de latijnsche vulgaat zijn 3, 5 „eritis sicut dii"; 3, 8 „post meridiem"; 3, 17 „maledicta terra in opere tuo ". En zóó is het — alles bijeengenomen — volmaakt onmogelijk van de latijnsche vulgaatvertaling van dit verhaal ook maar iets te begrijpen, wanneer men er de grieksche LXX niet voortdurend naast legt. Bij de ieder oogenblik oprijzende vraag; hoe komt het dat wij hier in de latijnsche Vulgaat juist d i t lezen, terwijl er toch in den tekst iets anders staat, vindt men in de meeste gevallen alle gewenschte opheldering in de LXX. Het zijn concessies, die St. Hiëronymus wetens en willens gedaan heeft aan het conservatisme van lezers, die nu eenmaal gewend waren dit verhaal te lezen in hunne latijnsche reproductie van de LXX.

Behalve de Septuagint consulteerde de Vulgaatvertaler ook Aquila, Theodotion en Symmachus. Hoe ook deze drie grieksche vertalers beurtelings hun invloed op de latijnsche vulgaatvertaling van het verhaal hebben uitgeoefend, zullen we nog zien, waar deze joodsch-grieksche vertalingen ter sprake komen. Wanneer we de vulgaatvertaling van Gen. 3 vergelijken met die van Gen. 1 en 2, kunnen we verder nog opmerken, dat Hiëronymus vanaf het derde hoofdstuk zijn tekst ietwat v r ij e r begint te behandelen. Men zie b.v. de latijnsche vertaling van 3, 2. 3. 6 enz. In het bijzonder begint hij zijn tekst te verkorten. Hij vermijdt de vele herhalingen waar een semietische verteller wèl, maar een latijnsche lezer niet van houdt. Om te leeren zien hoe Hiëronymus in zulke gevallen te werk gaat, moet men de volgende plaatsen eens met den vertaalden tekst vergelijken:

2, 10: „dividitur in quattuor capita"

2, 16: „praecepitque ei dicens"

3, 2: „cui respondit muiier"

3, 17: „praeceperam tibi ne comederes"

3, 22: „et ait".

Ook de vulgaatvertaling van 3, 6 biedt onder dit opzicht een leerrijk voorbeeld. Anderzijds geeft de vertaler zijn tekst ook wel eens op min of meer omschrijvende wijze weder. Aldus b.v. 2, 11: