is toegevoegd aan uw favorieten.

De zonde in den tuin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onder tekstkritisch opzicht zijn ook deze twee weinig belangrijk. Ze bestaan uit een breedvoerig omschrijvende wedergave van den bijbeltekst, onder zóóveel toevoegingen dat men nog maar nauwelijks van „vertalingen" spreken kan. De manier waarop deze targoemisten hun teksten behandelen, vertoont wel eenige verwantschap met de „homiletische" interpretatie van bijbel' teksten zooals we die bij christelijke kerkvaders aantreffen. De Jeroesjalmi II is slechts overgeleverd in excerpten. Voor het verhaal dat ons bezig houdt geeft hij alleen de volgende verzen: 2, 7. 9. 15. 18 en 24; 3, 7. 8. 15. 18. 22 en 24, en de inhoud daarvan komt buitendien sterk overeen met hetgeen de Jer. I op deze plaatsen te lezen geeft.

De ingelegde stof van de beide Jeroesjalmis is hier en daar wel interessant, omdat ze ons een kijk geeft op de joodsche speculaties en legenden, die zich in lateren tijd rond het simpele bijbelverhaal hebben vastgezet. Zoo toont de Jer. I ons, dat men den berg Moria — den lateren tempelberg van Jeruzalem — beschouwde als de plaats waar Adam door God uit aarde gevormd was. „Geschapen was", zou men in de terminologie van dezen targoemist veeleer moeten zeggen, want hij vervangt woorden als „vormen" of „boetseeren" e.d. die al te menschelijk aandoen, liever door „scheppen" (vgl. 2, 7. 8. 19 enz.). De schepping van den paradijstuin heeft volgens Jer. I reeds plaats gehad vóór de eigenlijke schepping der wereld, en dat paradijs van Adam en Eva is identiek met de verblijfplaats der afgestorven rechtvaardigen (2, 8). Bij de interpretatie van 2, 15 heeft deze targoemist, zoowel als zijn collega Jer. II, zéér goed gezien dat de suffixen van de werkwoordsvormen niet passen bij het hebreeuwsche naamwoord voor „tuin". Volgens hem lag het aan Adam toevertrouwde werk volstrekt niet op het gebied van tuinbouw of boomkweekerij, maar het bestond in het „bearbeiden" van de wet, en het „onderhouden" van Gods geboden. Bij de wedergave van 2, 17 heeft Jeroesjalmi I aan de opwerping gedacht, dat de beide Oermenschen na het feitelijk begaan van de overtreding toch nog zéér lang geleefd hebben. Dat brengt hem tot een minder gelukkige interpretatie van de strafbepaling zelf. De eenige plaatsen, waar Jer. I onder tekstkritisch opzicht eenig belang heeft, zijn 2, 20 en 24. Op de eerstgenoemde plaats vertoont hij een van den M. T. afwijkende lezing, die we ook bij LXX, Pesj en Vuig. terugvinden. Op de laatstgenoemde plaats schaart Jer. I zich in de rij der getuigen, die, in afwijking van de