is toegevoegd aan uw favorieten.

De zonde in den tuin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zekerheid, dat er, behalve vruchtboomen, ook nog andere boomen of planten in stonden. Althans alle boomen, waarvan het verhaal spreekt, schijnen vrucht boomen te zijn. En geestelijke schrijvers als Sint Ambrosius en St. Bruno van Asti hebben daaruit stichtelijke conclusies getrokken. Wat 2, 9 betreft, kunnen de woorden zóó vertaald en uitgelegd worden, dat de vruchtboomen zelf fraai van uiterlijk waren; God zegt (2, 16) en Eva zegt (3, 2) dat de menschen van alle boomen in den tuin naar hartelust mogen eten. En de twee eenige boomen die afzonderlijk ter sprake komen, die van het Leven en die van het Goed-en-kwaad-kennen, zijn heel blijkbaar boomen met eetbare vrucht. Ook elders in het Oude Testament is de „gan" of „ganna" een tuin die den mensch vruchten levert; vgl. Jer. 29, 5 en 28; Amos 4, 9 en 9, 14; Prediker 2, 5; Hooglied 4, 16, enz. Dit alles schijnt voor de vertaling „boomgaard" te pleiten.

En toch leek ons ten slotte de nederlandsche vertaling door het woord „tuin" te verkiezen. Dat er in het paradijs ook sierboomen groeiden en struiken, bloemgewassen en kruiden enz. wordt — het is waar — in het geheele verhaal niet uitdrukkelijk gezegd. Maar dat de oude Israëlieten — evenals de schilders aller tijden! — zich de zaak toch wel zoo voorstelden, blijkt uit vergelijkingen als die van Gen. 13, 10; Joël 2, 3, enz. Voor de aanwezigheid althans van struikgewas, zou men misschien in 3, 8 een aanwijzing kunnen vinden. Weliswaar wordt ook daar alléén de meest algemeene soortnaam „boomen" of „hout" gebruikt. Maar tusschen de boomen van een boomgaard is het slecht wegkruipen. Het is zéér zeker mogelijk 2, 9 zóó op te vatten en te vertalen, dat daar uitsluitend van vruchtboomen spraak is, die zelf tegelijkertijd een fraai gezicht opleveren. Maar het wil ons voorkomen, dat de vertaling „alle boomen; sierboomen zoowel als boomen met eetbare vrucht" toch méér voor de hand ligt, vooral omdat we van elders weten, dat de Israëlieten zich in den „tuin van God" o.m. ook ceder boomen voorstelden; vgl. Ezech. 31,8. Ook moeskruiden, bloemen en geurige planten hooren thuis in een „gan"; vgl. Deut. 11, 10; Hooglied 4, 16; 5, 1; 6, 2. En daarom spreken we bij de wedergave van het paradijsverhaal ten slotte toch liever van een „tuin" dan van een „boomgaard".

De „gan" is steeds een afgesloten ruimte. Dat blijkt reeds uit de afleiding van het woord, die — evenals dat ook bij de woorden „paradijs" en „tuin" het geval is — den nadruk legt op