is toegevoegd aan uw favorieten.

De zonde in den tuin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het „ommuurd" of „afgeschut" zijn? vgl. bovendien Hoogl. 4, 12. Voorts is het begrip, dat door het woord „gan" wordt uitgedrukt, ook dat van een tuin die min of meer kunstmatig is aangelegd; vgl. Jer. 29, 5 en 28; Amos 9, 14; Prediker 2, 5. En daarom wordt in het verhaal dat ons bezig houdt, het „planten" of het „aanplanten" van dien tuin door Jahwe God uitdrukkelijk vermeld: 2, 8.

In de oude vertalingen van 2, 8 ontmoeten we hier voor het eerst het merkwaardige woord „paradijs", dat ten slotte uit die vertalingen in al onze moderne talen terecht kwam. Ons neder» landsche woord „tuin" beantwoordt niet alleen vrij nauwkeurig aan het hebreeuwsche woord „gan". Maar het beantwoordt misschien nog nauwkeuriger aan dit exotische woord „paradijs". Want „tuin" beteekent op de eerste plaats eigenlijk omheining (vgl. duitsch „Zaun"), vervlogens „omheinde ruimte", dan, meer in het bijzonder, „afgesloten terrein met groeiende gewassen beplant". En in deze laatste beteekenis werd het woord „tuin" ten slotte zóó gebruikelijk, dat het oorspronkelijke begrip „omheining" geheel op den achtergrond raakte. Het woord „paradijs" heeft precies dezelfde evoluties van beteekenis doorgemaakt. Het is van perzischen oorsprong, beteekent op de eerste plaats eigenlijk „omheining", dan „omheinde ruimte", ten slotte „afgesloten ruimte met boomen en planten begroeid". De Perzen uit den Achaemenidentijd gaven dezen naam aan de gereserveerde jachtparken hunner adellijke heeren; vgl. b.v. de Anabasis van Xenofoon 1, 2, 7. Uit het perzisch ging de term als leenwoord over in andere talen, in het assyrisch, het arameesch, en ook in het hebreeuwsch; vgl. Hoogl. 4, 13; Prediker 2, 5; Neh. 2, 8. Sinds Xenofoon treffen we het woord ook in het grieksch aan. En zoo kon het dan gebeuren, dat dit vreemde woord door den Septuagintvertaler bij zijn grieksche wedergave van de historie van Adam en Eva gebruikt werd. Uit de LXX kwam het weer in de oudlatijnsche bijbelvertaling terecht. Sint Hiëronymus behield het in zijn „Vulgaat". En uit die Vulgaat drong het woord in alle europeesche talen door. En zoo komt het nu dat nog heden eenieder van den tuin van Adam en Eva spreekt als van „het paradijs". De term zelf is dus niet strikt bijbelsch: hij is niet ontleend aan den bijbel tekst, maar slechts aan de oude vertalingen van het bijbelverhaal.

In onze taal, gelijk in sommige andere, spreekt men ook wel van het „A a r d s c h e Paradijs". En we moeten nu nog verklaren hoe deze uitdrukking is ontstaan. Oorspronkelijk sprak men van