is toegevoegd aan uw favorieten.

De zonde in den tuin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoog dan te laag. Vervolgens zijn, zelfs wanneer men met de joodsche moralisten in Gen. 1, 28 en 2, 18 een algemeene wet wil zien, individueele uitzonderingen daarop nog niet ontoelaatbaar. Wij behoeven hier zeker wel niet in den breede uiteen te zetten, hoe juist de Katholieke Kerk het huwelijk steeds heeft hooggehouden en verdedigd. Maar wij aanvaarden de verplichting tot den huwelijksstaat niet als een wet, die geen uitzondering, behalve dan physieke onbekwaamheid, zou toelaten. Voor het goed recht van zulke individueele uitzonderingen, staan zoowel de leer alsook het persoonlijk voorbeeld van Christus ons borg. Dat overigens ook het Oude Testament reeds zulke individueele uitzonderingen kende, blijkt wel uit Jerem. 16, 1—2.

Zooals, volgens vs. 15, het toezicht over Tuin en boomen aan den Oermensch is toevertrouwd, zoo schijnt hij naar vs. 19 en 20 ook een zeker opzicht over de dieren uit te oefenen. Althans, zij worden hem officieel voorgesteld, en de Mensch bepaalt de namen dier dieren, wat naar oostersche opvatting opperhoogheid onderstelt. Men heeft opgemerkt, dat van de groote kategorieën, waarin de dierenwereld gewoonlijk verdeeld wordt (vgl. Gen. 1, 28; 9, 2; Ps. 8, 6—9, enz.), hier de visschen ontbreken. Dat is waarschijnlijk enkel en alleen te danken aan het feit, dat dit verhaal de dieren voor den Mensch laat defileeren (vs. 19) en men zich moeilijk kon voorstellen dat aan zulk een parade ook de waterdieren zouden hebben deelgenomen. De afwezigheid dezer dierklasse — die in het Scheppingsverhaal, 1, 28, en elders wèl uitdrukkelijk onder den Mensch gesteld wordt — lijkt daarmede uit den samenhang zelf van dit verhaal bevredigend verklaard. De kruipdieren, die elders soms afzondert ij k vermeld worden, rekent ons verhaal blijkens 3, 1 tot „al wat op het land leeft" of tot „de wilde dieren".

Wanneer we de vraag stellen, welke nu eigenlijk volgens dit verhaal de verhouding is tusschen den Oermensch en de dieren, dan kunnen we vooreerst twee punten van overeenkomst vaststellen:

1 °. Mensch en dier beiden zijn — wat het lichaam betreft — gevormd uit dezelfde materie (vs. 7 en vs. 19).

2°. Mensch en dier beiden kunnen — wat de ziel betreft — onder denzelfden term „levend wezen" worden samengevat (vs. 7 en vs. 19 volgens de thans bestaande teksten).