is toegevoegd aan uw favorieten.

De zonde in den tuin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtstreeksche, ofschoon niet letterlijke, aanhaling van Gods verbod. De zin is niet: aangaande de vrucht.... heeft God gezegd", maar de woorden „heeft God gezegd" vormen een kleinen tusschenzin. De bijzondere eigennaam van den boom wordt niet genoemd. Dit is waarschijnlijk opzet van den verteller met het oog op de spoedig daarop volgende woorden van de Slang. Maar ook zonder dat die eigennaam genoemd wordt, is het den toehoorder reeds duidelijk genoeg over welken boom het gaat. Die aparte boom heeft volgens de woorden van de Vrouw ook een aparte plaats: hij'staat midden in den Tuin; vgl. hetgeen hierover reeds vroeger (blz 47) gezegd is. De samaritaansche recensie laat de Vrouw spreken van „dezen boom". Dat is een kleine, vrij onschuldige poging om het verhaal ietwat dramatischer te maken: de samenspraak tusschen Slang en Vrouw zou namelijk bij of onder den boom zelf plaats gehad hebben, zooals ook onze schilders en beeldhouwers de gebeurtenis meestal voorstellen.

Dat de Mensch en zijn vrouw den verboden boom zelfs niet aanraken mogen, staat niet uitdrukkelijk in het verbod zooals we het 2, 17 lezen. Het is een bijvoeging van de Vrouw in de karakteristieke lijn van de latere joodsche wetsinterpretaties: „maak een omheining om de wet!" dan loopt namelijk de eigenlijke wetsbepaling zelf des te minder gevaar geschonden te worden, 't Is alléén maar jammer, dat, ondanks deze „verzwarende interpretatie", omheining en wetsbepaling zelf in dit geval zoo spoedig onder den voet geloopen zouden worden, als het vervolg van het verhaal aantoont.

Met vs. 4 komt de Slang weer aan het woord. De door „God" uitgesproken sanctie is slechts een ijdel dreiggebaar, waaraan geen werkelijkheid hoegenaamd beantwoorden zal. De ware reden, waarom „God" het genot van deze vruchten aan de menschen onthoudt, is: dat Hij den mensch in onwetendheid wenscht te houden. Wanneer de mensch zich maar vrij durft vechten van dat verbod, zal hij niet alléén niet sterven, maar hij zal dezelfde kennis van goed en kwaad ontvangen, die „God" tot nu toe alléén heeft, en voor zich alléén wenscht te behouden. De Slang citeert hierbij tweemaal letterlijk de verbodswoorden van 2, 17. De verzwarende interpretatie van de Vrouw gaat ze stilzwijgend voorbij, zonder er ook maar één woord aan te verspillen:

Vs. 4—5: Toen zeide de Slang tot de Vrouw: ,,«Zuit ge onverbiddelijk sterven»... weineen!