is toegevoegd aan uw favorieten.

De zonde in den tuin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of niet met zekerheid, geweten zou hebben. In vs. 13 staat zelfs de uitroep „Wat hebt ge daar bedreven!", geheel overeenkomstig het hebreeuwsche taaleigen, in vragenden vorm.

Vs. 12: Toen zeide de Mensch: „die vrouw, die Gij bij me geplaatst hebt, heeft me van den boom gegeven; zoo kwam ik tot eten. De schuldige zoekt zichzelf zooveel mogelijk schoon te wasschen. Het feit ontkennen gaat natuurlijk niet aan, maar: het is wèl te verklaren, zegt Adam en.... Adam toont zich daarbij zéér menschelijk. Om zijn eigen schuld te „verklaren", ontziet hij zich niet, een gedeelte ervan — en, volgens zijn meening, het zwaarste gedeelte — af te wentelen op zijn vrouw, en in zekeren zin zelfs op Jahwe God. In 2, 23 was „die hier" been uit zijn gebeente, en vleesch uit vleesch van hemzelf. Nu is ze slechts „die vrouw, die Gij — Jahwe God — bij me geplaatst hebt". Wij vertalen „d i e vrouw", omdat in het hebr. het bepalend lidwoord, uit een aanwijzend voornaamwoord ontstaan, niet zelden nog „aanwijzende" kracht bezit. Aldus ook hier, waar die „aanwijzende kracht" nog versterkt wordt door die van het persoonlijk voornaamwoord.

De eerst ondervraagde verdachte verwijst dus naar een ander als voor de begane overtreding eigenlijk verantwoordelijk.

Vs. 13: Toen zeide Jahwe God tot de Vrouw: „Wat hebt ge daar bedreven!" Maar ook Eva volgt het voorbeeld van Adam op den voet. Ook zij heeft voor hare daad, zooal niet een verontschuldiging, dan toch een verzachtende verklaring bij de hand. En deze bestaat hierin, dat ze op hare beurt de grootste schuld wéér op een ander afwentelt.

En de Vrouw zeide: „De Slang heeft mij misleid, zoodat ik aan 't eten ben gegaan."

De Slang wordt niet ondervraagd, en krijgt dus geen kans hetzelfde spel door te zetten.... En aangezien de duivel in dit verhaal niet uitdrukkelijk wordt genoemd, is hiermede het verhoor ten einde, en gaat het vonnis volgen.

Vs. 7 en 8 zijn van belang voor de kerkelijke leer zoowel over den toestand, waarin Adam en Eva zich vóór den zondeval bevonden, alsook over de gevolgen van de oerzonde. Zoodra door de eerste zonde „hunne oogen open gaan", komen ze tot de ontdekking dat ze naakt zijn. Te voren hadden ze dat dus, om zoo te zeggen, niet eens opgemerkt, d.w.z. ze hadden het niet als iets