is toegevoegd aan uw favorieten.

De zonde in den tuin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laat de verteller zijn personen spreken in „gewone taal" d.w.z. in eenvoudig proza. Een voorbeeld hiervan hebben we boven ontmoet in de samenspraak tusschen de Slang en de Vrouw, 3, lb—5. Maar hecht de verhaler — om welke reden dan ook — bovendien ook bijzonder belang aan het onveranderlijk overleveren van een gezegde in een zorgvuldig, ééns voor altijd, vastgelegden vorm, dan gaat hij over tot een bijzonder conserveeringsprocédé van deze woorden. Dan krijgen we rhythmisch af gedeelde taal, niet zelden met gebruik van ongewone „dichterlijke" termen, parallelisme, assonanties," alliteraties, woordspelingen e.d., kortom: met gebruik van één of meer dier verschillende uitdrukkingsmiddelen, die in de taal der oude Israëlieten het kenmerk vormden van wat wij „poëzie" noemen. Deze kunstmatige — naar onzen smaak soms wat gekunstelde — uitdrukkingswijzen dienen om zulke woorden in een bepaalden, zorgvuldig gestyleerden vorm, die door het gebruik dezer kunstmiddelen onveranderlijk wordt, diep in het geheugen te prenten. De dan gebruikte vorm gelijkt wel iet of wat op hetgeen wij „versvorm" noemen. Maar men moet die gelijkenis vooral niet te zeer op de spits drijven. Ze verschilt van onzen versvorm gewoonlijk door minder straffe gebondenheid. Het rhythme is aanmerkelijk vrijer dan b.v. in de gedichten van Vondel of Bilderdijk. Het gelijkt meer op dat vrijere rhythme, dat we eenerzijds bij onze moderne, anderzijds bij onze middeleeuwsche dichters wel aantreffen. Een voorbeeld van het gebruik van zulke „dichterlijke taal", midden in ons proza-verhaal over de „Zonde in den Tuin", hebben we boven reeds gezien, namelijk in de woorden waarmede de Oermensch zijn vreugde uit over de schepping der Vrouw, 2, 23. Ook de godswoorden van 3, 14 en vlgg. zijn op soortgelijke wijze gestyleerd, en daarmede gestereotypeerd. Parallelisme treedt daarbij op in- vs. 15, en assonantie in vs. 16.

Vs. 14: Vervo 1 gens zeide Jahwe God tot de Slang:

„Omdat ge dit gedaan hebt:

vervloekt zijt gij onder alle vee en onder alle dieren!

De motiveering „omdat ge dit gedaan hebt" ziet terug op de woorden van de Vrouw in vs. 13b. Het hulpwerkwoord „zijn"