is toegevoegd aan uw favorieten.

De zonde in den tuin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt hier — gelijk meestal in hebr. volzinnen — niet expliciet uitgedrukt. Daarom kan men desnoods ook vertalen „vervloekt moogt ge zijn (optatief ), of „vervloekt zult ge zijn" (toek. tijd). Doch de tegenwoordige tijd en de aantoonende wijs liggen in dit zinsverband toch wel het meest voor de hand. Zoo ook in de tweede helft van vs. 14:

Op uw buik schuifelt ge,

en aarde slikt ge,

levenslang!

De meeste vertalers geven de hier gebruikte werkwoordsvormen in den toekomstigen tijd weder. Deze vertaling kan desnoods verantwoord worden uit de laatste woorden van het vers, die wij, naar het bij ons in rechterlijke taal bestaande spraakgebruik, vertalen met „levenslang", letterlijk „de totaliteit van de dagen van uw leven". Maar anderzijds is het wel mogelijk, dat we bij de gebruikelijke vertaling dezer beide werkwoordsvormen te doen hebben met onbewuste nawerking van een bepaalde oude opvatting, die we bij vele oostersche en westersche verklaarders van ons „Paradijsverhaal" ook wel uitdrukkelijk uitgesproken vinden, en die ook bij dichters, schilders en beeldhouwers niet zelden aan den dag treedt. Volgens deze opvatting zou de Slang door Jahwe God oorspronkelijk niet als kruipdier zijn bedoeld en niet als kruipdier zijn geschapen. Zij zou eertijds vleugels of pooten — of vleugels e n pooten hebben gehad. Bij Vondel bijvoorbeeld is de paradijsslang

„.... een geschubde draeck, voorzien van schoone vlercken, hij is in vliegen en omzwerven uytgeleert!"

En de Slang zou eerst tengevolge van den vloek Gods in Gen. 3, 14 gedegradeerd zijn tot een kruipend wezen, dat schuifelend langs den grond zijn voedsel zoeken moet. Het is echter niet volstrekt noodig de woorden Gods in dien zin te verstaan. En het is zeer wel mogelijk dat, ook naar de opvatting van onzen verhaler, de Slang van het begin af precies denzelfden vorm heeft gehad, die slangen nog thans vertoonen. We zouden de beteekenis van de godswoorden in 3, 14 dan ongeveer als volgt kunnen omschrijven: Vervloekt zijt gij onder de dieren, waarvan ge ook door uw lichaamsbouw, uw wijze van voortbeweging en uw fleheele levenswijze reeds verschilt, gij, die u niet dan schuifelend