is toegevoegd aan uw favorieten.

De zonde in den tuin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. Aanvullende Overleveringen.

Gen. 3, 20—24.

Indien de geschiedenis van „De zonde in den Tuin" met Gen. 3, 19 ophield, zou het verhaal volstrekt niet onaf lijken. Uit de laatste verzen van het hoofdverhaal, vs. 17—19, zou men dan allicht opmaken, dat door den vloek van Jahwe God over de 'adama de paradijs toestand was opgeheven, dat de Oermenschen wel op dezelfde plaats gebleven waren, maar daar sinds' dien een moeitevol bestaan hadden geleid.

Doch het blijkt, dat de oude Israëlieten behalve Gen. 2, 4b—3, 19 nog enkele andere overleveringen omtrent het paradijs en het eerste menschenpaar gekend moeten hebben. Wij zagen dat reeds bij de lezing van 2, 10—14, waarin enkele nadere gegevens omtrent de ligging van den Tuin geboden worden die eerst in het hoofdverhaal zijn ingevoegd, toen dit reeds schriftelijk was vastgelegd. En nu zijn ons bovendien in Gen. 3, 20, 21 en 22—24 nog enkele losse aanteekeningen uit den cyclus dier verhalen bewaard gebleven. Vs. 20 bevat een van 2, 23 afwijkende traditie over den naam, dien de Oermensch aan zijn vrouw gegeven heeft. Vs. 21 bevat een van 3, 7 afwijkend bericht over de kleeding der eerste menschen. Vs. 22—24 bedoelen wellicht mogelijk misverstand omtrent den waren zin van 3, 17—19 uit te sluiten: de Oermensch verandert niet slechts van toestand, maar ook van woonplaats; de Tuin is na het wegzenden van den tuinier blijven bestaan, en i n dien Tuin ook een boom, die de „Levensboom" genoemd wordt.... Merkwaardig is, dat de vrouw van den Mensch in deze derde aanteekening niet vermeld wordt.

Tusschen deze drie aanvullende aanteekeningen onderling bestaat geen directe samenhang. Wel schijnen ze tot denzelfden cyclus van oude overleveringen te behooren, waartoe ook het hoofdverhaal zelf te rekenen valt. In vs. 21, 22 en 23 vinden we denzelfden samengestelden term „Jahwe God", waarmede de Schepper ook in het hoofdverhaal wordt aangeduid. En ook in deze aanteekeningen voert de Oermensch nog geen eigennaam, maar heet eenvoudig „de Mensch" (met lidwoord). In vs. 21 vocalizeeren de Masoreten weliswaar den eigennaam „Adam". Maar alles bijeengenomen lijkt deze vocalizatie toch wel foutief evenals in vs. 17. Want waar de aanwezigheid van het lidwoord