is toegevoegd aan uw favorieten.

Echtgenooten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ger. Ze scheen haar man haast heelemaal uit haar leven te schakelen en bracht steeds meer tijd door in het gezelschap van Homola. Haller kon Homola niet begrijpen en nog minder verdragen. „Wat is het toch voor een vent?” vroeg hij soms peinzend. „Ik weet haast niets van hem en dat beetje, wat ik van hem weet, is een raadsel voor me. Hij is arm, hij geeft les en schrijft krantenartikelen.” Haller sprak er niet ronduit over, hij maakte alleen maar toespelingen, dat hij tusschen de verandering in zijn vrouw en dezen kalen baron een verband voelde. „Er is geen sprake van, dat tusschen Ida en Homola een ongeoorloofde verhouding zou bestaan, dat is te gek om aan te denken. Maar toch voel je, dat het meer is dan een gewone verhouding van een leerlinge tot een leeraar, bovendien vind ik hun gedrag bepaald vijandig tegenover mij.” — „Vijandig?” vroeg Antonia verbaasd. „Ja, zooiets. Er is een minachtende koelheid en superioriteit aan hen te zien... het is moeilijk te omschrijven wat, maar hun houding maakt dat ik het huis het liefst uitloop. Zij vinden zich beter, geleerder, misschien hoogstaander wezens dan andere menschen en spreken kleineerend over de wereld. Ze gebruiken het woord „geest” en kijken elkaar begrijpend aan.” Haller keek zijn dochter aan met een gezicht, of hij vragen wilde: „Heb ik dan geen geest? Ben ik dan zoo’n laagstaand wezen?” maar hij zei niets, glimlachte en keek peinzend voor zich uit.

„Waarom zou die toestand niet te verhelpen zijn?” vroeg Antonia en sprak op aandringen van haar vader eens met haar moeder. „Och kom, je vader verbeeldt het zich en ziet spoken,” zei Ida tenslotte, nadat ze eerst met een strak gezicht naar haar dochter had zitten luisteren. „Wat moet ik anders den heelen dag doen? Ik heb genoeg van het gezelschapsleven, van slechte tooneelstukken en vervelende conversatie ... Ik zoek naar wat inhoud in mijn leven. Heb ik daar dan geen recht op? Van het werk en het leven van je vader heb ik geen flauw idéé. Hij heeft me er altijd buiten gehouden en als hij af en toe eens iets vertelde, deed hij altijd, of hij het over een geheim had, dat ik toch niet begrijpen kon. Ik geloof, dat de baron, die bankierzijn een minderwaardigen, in zeker opzicht zelfs immoreelen werkkring vindt, — gelijk heeft. Maar zwijgen we daarover. De baron heeft immers ook gelijk, als hij beweert, dat wij ook meer of minder immoreel zijn, omdat we van zijn, met immoreel werk en van geestelijk en religieus standpunt bekeken, onrechtmatig verdiend geld leven. Hij verdient het geld en wij