is toegevoegd aan uw favorieten.

Echtgenooten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zoo.” Weer zwegen ze.

„Weet je man het al?” vroeg Haller even later.

„Ja.” Je man, dat heeft hij nog nooit gezegd. Je man. Gek, net of vader zich nu een beetje terugtrekt.

„En wat zegt hij er van?”

„Hij is er blij mee,” zei Antonia onzeker.

„Hij is blij! Natuurlijk is hij blij. Het zou wat moois zijn als hij niet blij was! En jij? Ben jij blij?”

„Ik weet het nog niet.”

„Wat weet je nog niet? Zeg gerust maar wat je denkt, mijn kind.”

„Ik weet het niet,... ik kan het niet zeggen. Ik heb geen uitgesproken meening. Soms ben ik blij. Soms ben ik gelukkig en zou ik willen, dat het kind al hier om heen me huppelde. Ik kan me al voorstellen hoe het naast me zal liggen in bed ... dat vind ik heerlijk, vader. Een andere keer bevangt me opeens een angst... ik weet niet waar ik bang voor ben ... ik heb akelige droomen ... bijvoorbeeld dat ik het laat vallen en dat het breekt als een porceleinen pop, dat ik het niet te eten kan geven. Soms steekt het zijn handje uit en ik kan het niet grijpen . .. Wat kan ik daaraan doen vader?”

„Dat zijn zenuwen, kind. Zulke dingen komen in zoo’n toestand meer voor. Maar dat gaat later wel over. Dat is geen reden om bang te zijn. Je hebt een knappen, flinken man en je hebt mij toch ook nog. Je bent nog wel jong, maar het is beter, dat de kinderen komen als je jong bent, dan wanneer je al wat ouder wordt. Ik zou haast zeggen: dit is juist de goede leeftijd om moeder te worden. Je moet de dingen maar dapper onder de oogen zien. Zie je, mij spijt het bijvoorbeeld heel erg, dat ik maar één kind heb. Ik had er wel een stuk of wat willen hebben, maar... wat kun je er aan doen ... ik heb me er bij neer moeten leggen, dat we maar één kind hadden. Misschien zullen mijn kleinkinderen me het gemis vergoeden. Maar ik zal toch altijd het meeste van jou houden. Kom, lach nou, kind.”

Antonia lachte, maar haar mond beefde en haar oogen schoten vol tranen.

Op dezen dag ging Haller toch niet wandelen met zijn dochter. Hij stapte gauw op en reed naar huis. Hij vroeg Homola, die bij zijn vrouw zat, hen een oogenblik alleen te laten. Hij was zoo opgewonden, dat hij zijn mededeelingen met verwijten begon, hoewel hij zich al herhaaldelijk voorgenomen had, geen kritiek meer op zijn vrouw uit te oefenen, omdat „het toch