is toegevoegd aan uw favorieten.

Echtgenooten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je bent nog jong en kunt het niet begrijpen, maar ik zal probeeren het je te verklaren. We hebben met Homola dit vraagstuk tot in alle bijzonderheden bestudeerd. Ik zeg het je eerlijk en ronduit, met mijn tegenwoordige verstand had ik je niet op de wereld gebracht. Het is wel waar, als ik toen ook zoo gedacht had, zou je nu niet leven en dat zou je misschien niet aardig vinden. Vertel me eens eerlijk, ben je blij,dat je leeft?”

Antonia haalde nerveus haar schouders op. Ze was op dit gesprek niet voorbereid en het gedrag van haar moeder beviel haar ook niet.

„Soms ben ik blij, soms niet. Als alles goed gaat, ben ik blij dat ik leef, als ik verdriet heb spijt het me.”

Ida maakte een afwijzend gebaar en lachte kil. „Dat is natuurlijk. Zoo voelen de dieren en kinderen denken ook zoo. Maar je moet me niet verkeerd begrijpen, ik vond het niet jammer, dat je geboren bent... dat wil zeggen ... hoe moet ik je dat uitleggen... ik houd natuurlijk van je, dat gebeurt instinctmatig ... wacht eens even ... je bent een aardig, lief, knap en verstandig kind, maar als ik toen zulke rijpe gedachten gehad had als nu, dan was ik eenvoudig niet zoo ver gekomen om jou op de wereld te brengen. Begrijp je me?”

Antonia schudde haar hoord en stak een sigaret op.

„Rook je nu ook nog? Merk je niet, dat de rook...” Ida schoof den stoel van zich af en rekte zich uit. Antonia staarde haar verwonderd aan. Haar moeder droeg een ruime, witte japon, die soepel langs haar slanke gestalte hing. Om haar hals hing een wit koordje met een kruisje. „Ik wil niet beweren, dat vrouwen heelemaal geen kinderen moeten baren, maar als ze het doen, moeten ze het met bewustzijn van hun verantwoordelijkheid doen. Jouw levensopvatting is helaas anders ... afwijkena van de mijne. Ik vind den weg, dien een vrouw moet gaan tot ze moeder wordt, verschrikkelijk. Ik zeg je eerlijk, als ik het toen geweten had, was ik nooit getrouwd. Tenminste niet met je vader, want ik vind hem een man, die geen nakomelingen mocht hebben. Hij is een bekwaam en nuttig mensch, uit een algemeen maatschappelijk oogpunt is er niets op hem aan te merken, je moet me niet verkeerd begrijpen . . . maar dat is niet voldoende, het is zelfs heel weinig. Ik ben nu tot het inzicht gekomen, dat hij niet veel ziel heeft. Ziel, begrijp je! Hij mist om zoo te zeggen alles, wat mooi, verstandig en bezielend is in het leven en dat is een groote fout. Ik heb er nooit met jou over willen spreken, maar je staat voor zulk belang-