is toegevoegd aan uw favorieten.

Echtgenooten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik heb altijd iets gezocht, dat naar het schijnt niet eens bestaat. Ik ben altijd ontevreden geweest met wat ik had. Deze man heb ik voor het eerst op het tooneel gezien, ik dacht dat hij de knapste, de beste man op aarde was. Ik was verrukt over hem en ook over zijn rollen. Ik had hem al opgemerkt, toen ik nog de vrouw van Nadai was en ik hoopte eens ergens met hem kennis te maken. Toen heb ik Zoltan leeren kennen en heb ik hem vergeten. Toen Zoltan niets meer van me wilde weten, dacht ik weer aan hem. Ik schreef hem een brief, waarin ik hem vertelde hoe ik hem bewonderde. Hij antwoordde er niet op. Toen heb ik hem nog een keer geschreven, maar ik kreeg weer geen antwoord. Ik stuurde hem een derden brief en vroeg of hij me wilde bezoeken. Hij kwam niet. Ik heb hem bloemen gestuurd, hij heeft er niet eens voor bedankt. Ik heb een foto laten maken en hem die toegestuurd, maar hl] gat geen enkel teeken van leven. Dat vond ik beleedigend en het ergerde me ook. Op een middag... je weet soms werkelijk niet wat je op een onrustigen dag doet... op een middag ben ik naar hem toe gegaan, naar zijn woning. Ik moest lang bellen, eindelijk deed hij zelf open ... hij was zich juist aan het aankleeden, of misschien sliep hij juist, dat weet ik met. Een jas en een vest had hij niet aan, zijn bretels bengelden bij zijn broek neer hij was in een slecht humeur en snauwde me af. Hl] vroeg me, wat ik wilde ... Hij was grof en cynisch en onvriendelijk. Hij schreeuwde, dat ik hem met rust moest laten, dat vrouwen hem heelemaal niet interesseerden en dat hij niets hebben moest van de liefde ... Zulke dingen bulderde hij tegen mij, hoewel ik geen woord over liefde gekikt had en er geen seconde aan dacht om hem toen, met zijn afgezakte broek en kale hoofd, naar tabak ruikenden adem en zijn dikken buik, als man te begeeren. Was dat nu die groote, beroemde tooneelspeler:' dacht ik toen en ik heb het hem gezegd ook. Onze kennismaking begon met ruzie. Hij had een kleine, donkere woning met twee kamers, het was een slonzige, verwaarloosde woning waar een muffe lucht hing, met een zwart berookt plafond en een onafgehaaldbedmet vuil beddegoed. Het bleek, dat hij zijn maag bedorven had en uit ergernis zijn huishoudster er uit gegooid had. ik moest lachen, ik had medelijden met hem en toch was ik blij, dat hij zoo’n komische figuur was, ik was blij, omdat ik me ontnuchterd voelde en uit pure blijdschap ben ik naar de keuken gegaan en heb een kop thee voor hem gezet. Hij kwam ook naaf de keuken en keek wat ik deed. Hij was verwonderd