is toegevoegd aan uw favorieten.

Echtgenooten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

103

Het liep tegen de eenenveertigste verjaardag van Antonia toen ze eindelijk bekende, dat ze zien den laatsten tijd voortdurend niet erg goed. voelde. Een week voor haar verjaardag kon ze plotseling niet opstaan, hoe ze zich ook probeerde goed tehouden. Den vorigen middag hadden ze samen getennist, ’s avonds hadden ze een beetje muziek gemaakt, bij het avondeten hadden zenogwatroodenwijn gedronken en hun nacht was ook nogal stormachtig geweest.

„Ik zou vandaag graag in bed willen blijven,” zei ze haast verontschuldigend.

„Dan blijf ik ook in bed,” lachte Zoltan.

„Maar ik zou graag alleen willen blijven,” drong ze toch verder aan en legde onder de deken haar hand op haar hart. „Ga jij liever een beetje wandelen in de frissche lucht.”

„Voel je je niet lekker?”

„Ik voel me een beetje vervelend. Ik heb wat hoofdpijn en ik ben een beetje duizelig.”

„Heb je je maag bedorven?”

„Misschien, mijn maag doet tenminste ook pijn, maar...”

Zoltan keek haar aan en de schrik sloeg hem om zijn hart. Haar voorhoofd leek zoo buitengewoon groot en haar haren waren zoo droog en zoo kleurloos. Haar oogen lagen zoo diep en keken zoo flets. In haar ingevallen gezicht leek haar mond grooter en haar lippen gelig bleek. Haar hals was als dien van een verkleumden vogel en haar pols, dien hij voelde, sloeg onregelmatig.

„Waar heb je pijn, schat?”

Antonia begon zachtjes te huilen. Ze keek hem zwijgend en wanhopig aan en probeerde tevergeefs te glimlachen, haar mond vertrok smartelijk.

„Waarom huil je, schat? Vertel me nu eens, waarom denk je toch altijd aan de dood? We zijn te gelukkig, heb je soms daarom angst dat geluk te verliezen? Geloof me, we leven nog wel een poosje, hoor!”

Antonia sloeg de dekens terug.

„Kijk eens, hoe mijn beenen er uit zien!” huilde ze snikkend.

Haar beenen waren opgezet. Zoltan drukte een zoen op de gezwollen beenen en trok onwillekeurig dadelijk zijn hoofd terug. Het was of hij een weeke deegmassa gezoend had.

„O, dat is niets,” zei hij quasi onverschillig. „Je enkels zijn