is toegevoegd aan uw favorieten.

Holberg en Holland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorheen als een deugd aangezien; — maar tegenwoordig, in onze beschaafde eeuw, zet men zulke vrijers in het register van de tugthuiszotten. Onder de sentimenteele Romanleezers mag men dit halsbreeken van zig zelve wijsheid noemen, maar elk eerlijk, braaf Burger zal het als de buitenspoorigste zotternij verfoeijen.” (Peder Paars, II, blz. 65). Neeltjes liefdesklacht ten slotte, als Paars haar op Anholt achterlaat, is zeer duidelijk een parodie. In de Deense tekst lezen we slechts enkele regels hierover, Scheibe heeft een weinig uitgebreid, maar in de Nederlandse bewerking is de klacht uitgedijd tot zeven bladzijden. (Peder Paars, II, blz. 156—163) Ik zal hieruit enkele passages citeren.

Neeltje begint haar klacht als volgt:

„Wee mij, ik ongelukkige!

Wie heeft immer dergelijk een ongeluk beproefd?

Welk een cronijk vermeldt van een soortgelijke boosheid! — O Jammer! — o Ellende! — o Schobbejak! —

Helaas! slegts ééne ondeugende Paars;

Slegts één zo godvergeeten Boef, bewoond deeze noordsche

[waereld.

Deeze éénige Verraader;

Deeze Hondsvot, — hemel!

Wordt hier juist te Anholt op ’t strand gesmeeten! —

O Jammer! — o Ellende! — o schobbejak! —

Ach! slechts een éénig kind! Slegts een éénig Neeltje!

En ik moet zo gemarteld worden!

Waarom, o Kupido! o kleine gaauwdief!

Waarom heeft uw pijl mij getroffen?

O jammer! — o Ellende! — o Schobbejak! —

Luister, o bruischende Zee!

Hoort, o donderende golven!

Laaten mijne zugten en traanen uwe mededoogende opmerking

[niet ontglippen!

Wreekt een schuldeloos Meisje!

Waait de zeilen aan oude lorren!