is toegevoegd aan uw favorieten.

Holberg en Holland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van groot belang. Holberg heeft dezen geleerde enige malen bezocht, toen hij in Holland vertoefde; eens werden zij bij vergissing opgesloten door het dienstmeisje, en al wachtende totdat dit weer open kwam doen, voerden ze wetenschappelijke gesprekken (zie Holbergs eerste Levensbrief; in de „LeevensBeschryving” blz. 198); Holberg deelt niet mede, welke onderwerpen in deze gesprekken behandeld zijn. Later schijnt hij echter eens minder vriendelijk ontvangen te zijn (zie Ep. 334; Verz. v. Br. IV, 35, blz. 124). Holberg heeft al Clericus’ werken gelezen, zoals hij zelf zegt (Ep. 32, Verz. v. Br. I, 32, blz. 198); in Ep. 207 (Verz. v. Br. III, 24) spreekt hij met waardering over Clericus’ „Ars Critica”, Ook elders in Holbergs Epistler komt Clericus meermalen ter sprake.1) Herhaaldelijk noemt Holberg Clericus in verband met diens pennestrijd met Bayle 2), die in 1706 nog in volle gang was. De strijd betrof Gods goedheid en de vraag naar het ontstaan van het kwade (zie b.v. de eerste Brief, in Verz. v. Br. getiteld: „De tegenwerpingen van Bayle tegen Gods goedheid opgelost , I, 1); Clericus gebruikte o.a. de leer van Origenes3) ter verdediging van zijn standpunt, wat Holberg niet geheel kon goedkeuren; overigens stond hij aan Clericus’ zijde. Ook noemt Holberg Clericus vaak in één adem met Grotius (in Ep. 45 met Grotius en Erasmus), n.1. wanneer het hun onderzoekingen op theologisch gebied en hun verklaringen van de Heilige Schrift betreft. Holberg meent, dat zij hierbij wel dwalingen begaan, maar acht hen toch goede Christenen, daar hun bedoeling met deze werken de verdediging van het Christelijk geloof is, (in Ep. 47 noemt hij Grotius den grondlegger van het theologisch onderzoek) en daar ze menen met vrijzinnige verklaringen en desnoods verwerping van twijfel-

1) In Epistel 1, 3, 26, 32, 45, 78, 207, 273, 306, 320, 322, 334, 402, 413, 489; Verz. v. Br. I, 1, 3, 26, 32, 45, 77; III, 24, 90; IV, 7, 19, 21, 35, 103, 114; V, 43.

2) In Holbergs Epistler vinden we veel over deze pennestrijd. Zie Ep. 1, 17, 26, 28, 225, 274, 320, 321, 322, 513; Verz. v. Br. I, 1, 17, 26, 28; III, 42, 91; IV, 19, 20, 21; V, 70.

3) Origenes (185—254) nam aan, dat het kwade was ontstaan, doordat het goede verloren ging tengevolge van de vrije wil der mensen. Bayle nam het zelfstandig bestaan van het kwade tegenover het goede aan.