is toegevoegd aan uw favorieten.

Het keizerlijke Weenen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

probleem voor zijn kleermaker, die alleen voor Keizer Frans-Joseph met dezelfde zorg werkte. Het lijkt een beetje verwijfd, een beetje dwaas, maar men kan goed gekleed en niettemin een groot kunstenaar zijn.

Op een goeden dag staat de kleine Jean weer te oefenen. De deur gaat open en in den spiegel ziet hij „den Herm Vater”.

„Speel jij viool?!” En Strausz scheurt zijn zoon het instrument uit de handen. Een onverkwikkelijke scène volgt. Maar de moeder steekt de reddende hand uit door den knaap heimelijk een nieuwe viool te bezorgen en wel die van den vader zelf.

Een anderen keer zit vader Strausz aan den vleugel in de coda van een zoo juist gecomponeerde wals naar een overgang te zoeken. Geen modulatie wil passen. Daar zet de kleine Johann, die stil heeft zitten toeluisteren, plotseling zijn vingers op de toetsen en zegt: „Hoe zou het zijn, Papa, als je het eens zóó deed?”, en speelt met gebruikmaking van een walsmotief een pracht van een overgang. „Kwajongen!” roept Strausz. „Het komt nog zoover dat hij mijn walsen en ik zijn schoolwerk ga maken. Wie weet wat er in dien jongen steekt. Maar musicus worden, dat nooit!” De oude blijft strak en star, hij heeft een harden kop. „Niemand heeft zoo’n slavenleven als een musicus, niemand eet zijn brood met zulk een bitterheid”, dat is de gedachte, die hij steeds en overal verkondigt. Het is een leven van den eenen dag op den anderen. Ieder lauwerblad moet van een doomenboom geplukt worden. Er behoeven maar twee werken niet in den smaak te vallen, twee walsen te mislukken, of er wordt gezegd: „Strausz kan ook niets meer bedenken!” Hij kende zijn Weeners. Dat lot zou hij zijn zoon besparen. Zijn zoon moest een onbezorgd bestaan hebben, het ideaal van iederen Oostenrijker: ambtenaar met een pensioen. In het Hirschenhaus was het een strijd tus-