is toegevoegd aan uw favorieten.

Het keizerlijke Weenen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meester Drechsler de hand tot afscheid. Tevergeefs trachtte hij den ouden heer de situatie duidelijk te maken. „Na so gengan S’ und schreiben S’ Walzer wie Ihna Vater. Dazu hatten S’ freili’ kan Kontrapunkt net braucht!” was het grimmige antwoord.

De slag bij Dommayer

Strausz was 19, dus minderjarig. Maar de Magistraat nam genoegen met het getuigschrift en het graduaal en verleende ontheffing van de vaderlijke toestemming.

Vier weken later heeft de jongeman vijftien spelers bij elkaar, strijkers en blazers. Hij verzamelt ze in de herberg „Zur Stadt Belgrad”, die altijd vol ambtelooze genieën zit. Hals over kop studeert hij een paar stukken met hen in en begin October is hij voor den grooten «lag gereed. „Maar heb je dan een repertoire?” vroeg een wantrouwende vriend. En inderdaad vormde het repertoire de trots van een kapel. Haar reputatie was vergooid wanneer ze na een week haar stukken moest herhalen.

„Maar ik heb toch vier walsen, twee quadrilles en drie polka’s”, antwoordde hij met eenige zelfironie. „Het zal wel gaan!” En het ging zooals altijd wanneer het gaan moét. Zoo brak voor den volledig onbevoegde, zooals Drechsler hem noemde en die alleen maar genie en een naam bezat, de 15e October aan, de dag, waarop hij voor het eerst aan de Weeners zou vertoonen.

De oude Strausz had een vertrouweling, de „Lamperlhirsch”. Zijn ware naam luidde Carl Friedrich Hirsch. In zijn jeugd had hij een jaar harmonieleer bij Beethoven gestudeerd en was daarop — hetgeen deze voorstudie niet deed verwachten — belastingambtenaar geworden en, gezien zijn rekentalent, minister van financiën van den ouden Strausz. Bovendien was hij door de