is toegevoegd aan uw favorieten.

Het keizerlijke Weenen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoelens aan. Hij leed er voelbaar schade bij, maar het maakte hem tegelijk toch ook een weinig trotsch. De Gunstwerber, de Sinngedichte, ze konden van hem zelf zijn en toch ook weer niet. Er klonk een jonger hart in, een soepeler toon.

Hij was niet meer de alleenheerscher, er was een mederegent, wien hij de hand reiken moest. En hij deed het, tot stille vreugde van de moeder, die daarin misschien wel Johanns grootste triomf zag. Maar de jonge Strausz droeg de glorie niet gemakkelijk. Hij behoorde tot die menschen, die in harmonie willen leven met de wereld, die geen dissonanten wilden wekken, geen schaduwen achter zich laten. De gedwongen strijd met den vader greep hem diep in het hart. Hij wilde geen partij vormen en voortaan speelde hij de walsen van den vader. Het was geen theatrale geste, het was een innig verlangen naar harmonie, een behoefte om in het openbaar te getuigen van zijn liefde en bewondering voor den kunstenaar. Ze reikten elkander dus de hand, de oude en de jonge Strausz, maar ze gingen niet samen verder. De vader had gehoopt den zoon als eerste violist en tweede dirigent voor zijn eigen kapel te winnen. Daarmee zouden alle moeilijkheden uit den weg zijn geruimd. Maar tusschen hen stond de moeder. Een associatie met den vader zou verraad tegenover de moeder beteekenen en van haar wilde en kon Johann zich niet scheiden. Ze drukten elkander dus de hand en gingen daarna ieder huns weegs, opnieuw als twee mededingers naast elkander.

In die blauwe dagen genoten de Weeners een schouwspel, dat bun kinderlijk hart oprecht verheugde. Bij Sperl, Zeisig en de Sieben Kurfürsten klonk de tooverviool van vader Strausz, bij Dommayer, de Grünen Tor en Zögemitz die van den zoon. Beiden hadden ze hun partij, hun aanhangers en hun fanatici. Beiden waren